Dat vond Ludwig van Beethoven ook. Afgelopen week las ik in een uitgebreid krantenartikel dat de grote componist zich, tijdens zijn vroege wandelingen in het buitengebied van Wenen, graag liet inspireren door vogelgeluiden. Sterker: ik begreep uit het artikel dat hij de beroemde eerste noten van zijn Vijfde symfonie had gejat van de geelgors. Het (inderdaad gele) vogeltje zingt weliswaar dzi-dzi-dzi-dzuuu, maar met de vrijheid des kunstenaars toverde Beethoven dat om naar het iconische ta-ta-ta-daaa. Dankjewel Ludwig, dankjewel geelgors.
Heel nuchter bezien zijn vogelgeluiden helaas een stuk minder lieflijk dan wij mensen graag denken. Teruggebracht naar de essentie, draait alles wat vogels 'zeggen' om de boodschap ik.
Ik ben hier de baas, ik ben het sterkst, ik ben de mooiste, ik wil paren, ik heb de beste genen, ik ben de beste nestbouwer – hier bén ik. Achter al hun blijmakende zanglijnen gaat dus een egocentrische, protserige soms zelfs agressieve betekenis schuil. Denk: sociale media. Wat een afknapper!
Misschien tegen beter weten in, vermoed ik echter dat er uitzonderingen zijn. Zo vond ik ooit een dode merel in de tuin, een vrouwtje. Ze leek nog geheel intact, lag op haar rug met ingetrokken pootjes. Ik heb haar begraven op de plek waar ik haar aantrof, aan de voet van mijn oude beuk.
Diezelfde avond viel me iets op. In de top van diezelfde beukenboom bracht een mannetjesmerel urenlang een melancholisch klinkend lied ten gehore, totdat het duister inviel. En de avond daarop weer. Avond na avond zong hij, zittend op de hoogste tak.
Ook in zijn boodschap zat wellicht een ik. Die van: ik mis je zo.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten