woensdag 12 augustus 2026

Ludwig van Beethoven

Vogelenzang is misschien wel het mooiste natuurgeluid dat we kennen. Zangvogels begroeten de eerste zonnestralen met lieflijke melodieën. Ook de dagsluiting nemen ze vaak voor hun rekening, en wel op stemmig wegebbende wijze – streling voor de oren.
     Dat vond Ludwig van Beethoven ook. Een tijdje terug las ik in een uitgebreid krantenartikel dat de grote componist zich, tijdens zijn vroege wandelingen in het buitengebied van Wenen, graag liet inspireren door vogelgeluiden. Sterker: ik begreep uit het artikel dat hij de beroemde eerste noten van zijn Vijfde symfonie had gejat van de geelgors. Het (inderdaad gele) vogeltje zingt weliswaar dzi-dzi-dzi-dzuuu, maar met de vrijheid des kunstenaars toverde Beethoven dat om naar het iconische ta-ta-ta-daaa. Dankjewel Ludwig, dankjewel geelgors. 
     Heel nuchter bezien zijn vogelgeluiden helaas een stuk minder lieflijk dan wij mensen graag denken. Teruggebracht naar de essentie, draait alles wat vogels 'zeggen' om de boodschap ik.
     Ik ben hier de baas, ik ben het sterkst, ik ben de mooiste, ik wil paren, ik heb de beste genen, ik ben de beste nestbouwer – hier bén ik. Achter al hun blijmakende zanglijnen gaat dus een egocentrische, protserige soms zelfs agressieve betekenis schuil. Denk: sociale media. Wat een afknapper!
     Misschien tegen beter weten in, vermoed ik echter dat er uitzonderingen zijn. Zo vond ik ooit een dode merel in de tuin, een vrouwtje. Ze leek nog geheel intact, lag op haar rug met ingetrokken pootjes. Ik heb haar begraven op de plek waar ik haar aantrof, aan de voet van mijn oude beuk.
     Diezelfde avond viel me iets op. In de top van diezelfde beukenboom bracht een mannetjesmerel urenlang een melancholisch klinkend lied ten gehore, totdat het duister inviel. En de avond daarop weer. Avond na avond zong hij, zittend op de hoogste tak.
     Ook in zijn boodschap zat wellicht een ik. Die van: ik mis je zo.

zondag 2 augustus 2026

Terry Kath

Zijn naam zal hier weinigen iets zeggen. Hij was lid van Chicago, mijn favoriete band uit het begin van de jaren zeventig, waarover ik al eerder schreef. Wat deze groep vooral uniek maakte, was de prominente aanwezigheid van blazers. Het zorgde voor een rock-jazz-fusion sound. 
     Terry Kath was gitarist en zanger, ook schreef hij teksten en muziek. Dat eveneens, typeerde deze zevenmansformatie. Chicago had geen frontman, het was een collectief van gelijken, een mini-democratie. Meerdere leden brachten de songs in, ook de vocals kwamen uit wisselende kelen. En inderdaad, vrijwel alle bandleden groeiden op in of nabij Chicago, The Windy City.
     
Terry Kath was wel dé gitaarvirtuoos. Legende Jimi Hendrix schijnt over hem te hebben gezegd dat hij the greatest guitarplayer in the universe was. Buiten Kath’s virtuositeit op de gitaar, had hij ook een krachtige bariton die volgens kenners soms zelfs op het geluid van Ray Charles leek, een andere muzieklegende.
     Naast zijn talenten had Kath ook een andere kant. Drugs. Én hij was verzot op vuurwapens, bezat zelfs een flinke collectie. De combi van deze twee 'liefhebberijen' zorgde ervoor dat Terry Kath slechts 31 jaar oud werd.
     Inmiddels verhuisd naar Californië (net als de andere bandleden), besloot Kath na een feestje nog even af te zakken bij vriend Don Johnson in diens huis in Woodland Hills. Terwijl ze zo, al dan niet onder invloed, met z'n tweetjes aan het chillen waren, speelde Kath met de revolver die hij gewoonlijk bij zich droeg – tsja, Amerika. 
     Johnson waarschuwde hem voor het gevaar, maar Kath stelde zijn vriend gerust door hem te demonstreren dat het wapen ongeladen was. Wat daarbij klaarblijkelijk over het hoofd werd gezien, was dat er zich nog één kogel in een van de cilinderkamers bevond. Hij zette het wapen tegen zijn hoofd om Johnson te overtuigen dat er niets kon gebeuren. En haalde de trekker over.
     Speculaties kwamen snel op gang. Kath zou bewust hebben gehandeld, zelfmoord dus. Hij zou ernstig depressief zijn geweest. Hij zou met zijn doorgesnoven kop een stoere gok hebben gewaagd en Russisch roulette hebben gespeeld waarbij de kans doorgaans 1 op 6 is. Maar aangezien zijn laatste woorden ‘Kijk maar, hij is ongeladen…’ waren, houden de meesten het er toch maar op dat het een stom ongeluk was.
     Terry Kath liet een vrouw en tweejarig dochtertje achter. Hij werd begraven in Glendale, Californië. Dus niet in The Windy City. Zijn gitaar- en stemgeluid leeft voort bij de fans van Chicago.

Terry Kath, 1946-1978.
Foto: Frank White (1975). Bron: Wikimedia Commons.


zondag 19 juli 2026

Op het strand. Deel 3

Ofschoon ruimte te over, streken drie kerels ongemakkelijk dicht naast mijn Zeeman-badlaken neer. Generaliseren is bedenkelijk – waarom eigenlijk? –, maar dit waren in mijn optiek toch wel erg archetypische Oost-Europeanen. Ogen die elk contact leken te vermijden, peuken die tussen duim en middelvinger lukraak werden weggeknipt, tsjak, het zand in. Zelfs mijn allervriendelijkste hoofdknikje werd bot genegeerd. Daarover lichtelijk verbolgen, vroeg ik me af waarom binnen Europa de verfijning afneemt naarmate men oostwaarts trekt. Maar met dit soort muizenissen schiet je als recreant geen moer op. Derhalve ging ik op mijn rug liggen en sloot de luiken, hopend op een mooie droom.
     Op de drempel tussen besef en gesnurk schrok ik me het leplazarus van een harde stuiterbal in het zand, enkele handbreedtes naast me. Opkijkend zag ik dat die afkomstig was van het drietal dat zich vermaakte met een spelletje hooghouden. Excuses, ho maar. Ze gingen stug door, waarbij ik zag dat hun techniek nul was en dat die bal dus overal kon belanden. Ook op mijn snuit of pens.
     Vanzelfsprekend lag ik er vanaf dat moment niet meer ontspannen bij. Sterker: ik vervloekte alles voorbij Berlijn. Waarom hebben ze godskolere dat IJzeren Gordijn destijds neergehaald? Oké, het zorgde er uiteindelijk voor dat veel van dat toenmalige steppenvolk nu onze tomaten plukt, ons vlees uitbeent en onze muurtjes stukadoort. Maar het verwijderen van die fysieke en politieke scheidslijn zorgde ook voor beëindiging van de Koude Oorlog, wat enerzijds hartstikke fijn was maar anderzijds misschien wel niet. Oké, Stalin was een paranoïde massamoordenaar. Maar met zijn opvolgers – van Chroestjov t/m Gorbatsjov – was het soms best gezellig koekjes bakken. Bovendien hadden we, indien de Koude Oorlog nog immer gaande was, nu wellicht nog een vorm van dienstplicht gekend, iets wat de samenleving beslist ten goede zou zijn gekomen, denk aan discipline, ontzag én integratie. 
     Het klinkt vergezocht, maar feit is dat de val van het IJzeren Gordijn er indirect toe heeft geleid dat mijn strandplezier linea recta naar de goelag werd verbannen.

zondag 12 juli 2026

Op het strand. Deel 2

Het Bataviastrand is nu veel drukker dan de vorige keer. De schoolvakanties zijn begonnen, en dan is het ook nog weekend. Veel gezinnen met kinderen. En grote groepen jongeren.
     Gelukkig ben ik hier niet de enige senior. Schuin rechts voor me zit een generatiegenoot in kleermakerszit op zijn badlaken, eveneens solo. Een magere man, vrijwel kaal. Het weinige haar dat hij nog bezit, heeft hij tot sprietig staartje gebundeld dat bungelt op zijn knokige rug. Ieder het zijne, zeg je dan ridderlijk. 
     Mannen met staartjes of knotjes – jong en oud – zie je anno nu best veel. Maar in 1970 was dat bijzonder. Ik was toen eenentwintig, kwam gekortwiekt uit militaire dienst. Dus liet ik mijn haar vrijuit groeien, tot, nou ja, dat zag ik dán wel weer. Juist in die periode kocht ik het debuutalbum van de band Chicago Transit Authority, later ingekort tot Chicago, wat beter bekte. Ik was weg van deze formatie, vooral vanwege de jazz fusion sound, met dank aan de krachtige blazerssectie, toen uniek in de rockscene. Op de lp-hoes zag ik dat een van die blazers zijn lange lokken tot een staartje had vervlochten. Ik was gelijk verkocht. Vond het ruig, stoer, uitdagend, rebels, tegendraads, non-conformistisch, anti-establishment. Kortom: vrij! Kerels met staarten associeerde ik, naast rockers en kunstenaars, met inheemse krijgers, vikingen, samoeraivechters en andere verheven types. Op hen wilde ik lijken. 
     De praktijk bleek weer eens weerbarstig. Lang haar zát gewoon niet lekker. Zo'n dos voelde snel te warm, werd plakkerig en irritant jeukerig. Bovendien was ik geen rockmuzikant maar een schuwe kantoorklerk – ken jezelf.
     Nu ik er zo op terugkijk, stijgt mijn achting voor de bijna kale boomer op het strand rechts voor me in kleermakerszit op zijn badlaken. Zijn sprietig staartje hangt tussen de schouderbladen, als bij een rocker of samoeraivechter in ruste. Híj wel.

zondag 5 juli 2026

Op het strand. Deel 1

Het Bataviastrand is vandaag, een maandag, paradijselijk: 23 °C en weinig badgasten. Het zuchtje wind is weldadig, de golfslag meditatief, de hemel diepblauw waarin minuscule schapenwolkjes. Soms klopt alles.
     Totdat een van die witte schaapjes pesterig voor de zon blijft hangen, voor mijn zon. Vreemd. Ik ken geen natuurkundige wet die verklaart waarom dat wolkje precies op dié plek blijft rondhangen en niet verder drijft, wat die andere wolkjes wél doen. Alsof het Hogere mij een loer wil draaien. Nou geloof ik niet in het Hogere, maar misschien is dat het juist, dat Het wél bestaat. En dat Het vilein denkt: Gij, Johann Rudolf Nagel, gelooft niet in mij en dús zal ik u eens lekker een loer draaien. Jawel, voor zo’n rotgeintje acht ik Het of Hem best in staat. Want zeg nou zelf, waarom zou iets bovenzinnelijks voor ons automatisch iets goeds betekenen? Alleen al vanwege dit soort aannames lijkt mij het idee van het Hogere ordinair mensenwerk, meer niet.
     Gelukkig, het schapenwolkje drijft eindelijk verder, de zon schijnt weer recht op mijn konterfeitsel. Dat zal heus niet jofel zijn voor de huidcelletjes. Maar ik gedij erop, zie het als opslag voor later, denkend aan november & Co. Investeren heet zulks.
     Links van mij, vanachter het havenhoofd, kiest de veerboot het zeegat, de nationale driekleur fier aan het achtersteven. Op het bovendek zie ik dagjesmensen zich laven aan de zomer. Mogelijk verkneukelen ze zich reeds op hun bestemming: de Markerwadden. Het paradijs bestaat, ligt verderop in het Markermeer, is nog niet eens zo lang geleden aangelegd. Inderdaad, ook deze eilandengroep is ordinair mensenwerk. Net als het strand waarop ik momenteel relax en waarvan ik soms te water ga. Maar wat zou het? Niks mis mee. Heerlijk zelfs. Zeker nu dat ene pesterige schapenwolkje is verdwenen. Ins Blaue hinein, zeg je in het Duits. Mooier kan niet.

Op rustige dagen heb je het Bataviastrand goeddeels voor jezelf.
Bij krachtige wind is het ook een eldorado voor kite surfers.
Heel anders is het beeld op hoogtijdagen.
Op de achtergrond houdt het imposante kunstwerk De Hurkende Man
altijd een oogje in het zeil, als een soort permanente strandwacht.

Foto: Studio Wierd



zondag 14 juni 2026

Doornroosje

Ergens las ik dat Disneyland Parijs verlies lijdt. Mea culpa, want aan mij verdiende het vermaarde attractiepark geen rooie cent. Ik kwam er nooit – gaat ook niet gebeuren.
     Tweemaal in mijn leven bezocht ik een pretpark. Ik was een jaar of zeven en nog maar kort in dit deel van de wereld. Een van onze eerste verkenningstochtjes was een bezoek aan Drievliet aan de rand van Den Haag. Het bestaat nog steeds, is uitgegroeid tot een serieus attractiepark, heet nu Familiepark Drievliet. Eind jaren vijftig was het slechts een veredelde speel- en theetuin. Een van de kinderattracties werd gevormd door een kleine omloop voor driewielertjes met een houten paardenhoofd als stuur. Best leuk. Helaas ging tijdens mijn rit de driewieler kaduuk, een wieltje begaf het. Een herkansing kreeg ik niet wegens beperkt gezinsbudget. Trauma.
     Mijn volgende pretparkbezoek was twee jaar later, de Efteling. Als negenjarige vond ik de man met die uitschuifbare nek, Langnek, een afstotelijk wezen. En Doornroosje vond ik er maar larmoyant bijliggen, ofschoon ik dat woord nog niet kende. En dan was er nog een fakir op een vliegend tapijt. Ik knapte ook op hém af vanwege de duidelijk zichtbare staaldraden die zijn tapijt in de lucht hielden. Desillusie.
     In mijn herinnering waren de heen- en terugreis de hoogtepunten van dat dagje Efteling. Mijn clan had een VW-busje gehuurd waarmee we naar het verre Kaatsheuvel afreisden. Ik keek toen mijn ogen uit naar de kaarsrechte lijnen waaruit Nederland bestond en ook naar al dat gekleurde blik op de weg, want ik was gek op autootjes. Als gezegd kon de Efteling zelve me gestolen worden. En die mening heb ik nooit bijgesteld, ook niet nu deze bestemming internationale naam en faam geniet. Zelfs met eigen kroost bezocht ik het pretpark nooit, iets waar ik soms nog op word aangesproken – gekscherend, dat gelukkig wel.
     Sowieso heb ik weinig op met pretwoordjes. Pretpakket, ijspret, voorpret, vakantiepret, pretletters, pretsigaretten, pretpark. Ophoepelen! 
     Of dit soort negativiteit gevolg is van genoemde jeugdervaringen betwijfel ik. Aangeboren chagrijn ligt hier meer voor de hand. 

Fotograaf: Jan van Eijk
Wikimedia Commons


zondag 7 juni 2026

The North Face

In het bekende koopjesdorp, bij mij om de hoek, stuit ik op een nieuw winkelfiliaal. The North Face, prijkt op de gevel. Met mijn beste kijken-niet-kopengezicht stap ik binnen. Truien, broeken, T-shirts, schoeisel en vooral veel jacks. Bij dit modemerk staat, weet ik, buitensport hoog in het vaandel, wat het logo ook uitdraagt: het gestileerde profiel van de Half Dome, de kenmerkende halfronde berg in Yosemity National Park, Californië. Sowieso verwijst binnen het alpinisme de algemene term 'north face' naar de door kou en sneeuw lastig te beklimmen noordwand van menig gebergte.
     Al langere tijd constateer ik echter dat er meer aan de hand is met The North Face. Ja, het merk is populair, zie je veel om je heen. Maar het bijzondere is – ik speel weer 'ns voor amateur-socioloog – dat de kleding gedragen wordt door een grote diversiteit aan mensen, vooral mannen, die weinig met elkaar gemeen hebben. 
     Puberbro's op fatbikes kiezen voor dit modemerk, maar ook AOW'ers. Tevreden burgers achter een kinderwagen, maar ook woedende betogers. Links en rechts, theoretisch en praktisch opgeleiden. Vanzelfsprekend dragen klimmers en andere outdoortypes het spul, meestal pure individualisten. Daarentegen is het merk ook populair bij hen die juist 't liefst groepsgewijs optrekken, denk aan hooligans. Voor de laatsten vormen de jacks en hoodies zowat een uniform, zeker met capuchon op.
     Dus, wat is er aan de hand, wat maakt dat The North Face zo'n mensendiversiteit aanspreekt? Is het gewoon een ijzersterk inclusiemerk? Of heeft het te maken met de breed gedragen, maar onbewuste idealisering van het Noordse leven? De inspirerende cultuur die we associëren met blakende frisheid, reinheid, puurheid, gezondheid, welvarendheid, flinkheid, blondheid, blankheid?
     Ik weet het niet, maar in dat kader moet ik toch denken aan een kleine eeuw geleden. Destijds ontstond bij onze Germaanse buren namelijk een beweging die exact deze Noordse waarden najoeg, als lichtend voorbeeld voor alle Ariërs. Wel voerden de Nazi's, want over hen heb ik het, destijds een agressiever ogend logo dan The North Face. En een agressiever beleid.

Het logo van The North Face toont het dwarsprofiel
van de Half Dome in Yosemity National Park, Californië.
De granietberg is aan de ene kant bijna rond, maar aan
de noord(west)zijde een vrijwel loodrechte muur. En dus 
 een extreme uitdaging voor sportklimmers.
De beroemde Half Dome in het echie.
Ooit stond ik aan de voet van deze steenwand. Ik keek
toen 90° omhoog en spotte enkele gekleurde stipjes. Het waren
klimmers op weg naar de top van de in waterverfachtig grijs en
sepia dooraderde, loodrechte muur. Of op weg naar de dood. 
Eeuwige vraag: Wat bezielt de mens?
                                                                                                       
 Bron: Wikipedia                                                                  Fotograaf: Thomas Wolf

vrijdag 29 mei 2026

Alpe d'Huzes

Jeugdvriend Aad overleed acht jaar terug, op z'n 69ste, aan multipel myeloom, wellicht beter bekend als de ziekte van Kahler, een vorm van beenmergkanker. Volgens geleerden is bij deze ziekte de erfelijkheidsfactor zeer klein. Hoeveel pech heb je dan als ruim een jaar na het overlijden van je vader, jij óók wordt gediagnosticeerd met 'Kahler'? Precies dát overkwam Maaike, dochter van Aad, moeder van drie kinderen.
     Gelukkig staat de wetenschap niet stil. Nee, helaas bestaat er nog geen duidelijke remedie tegen de ziekte van Kahler. Wél is men nu een stuk verder. Ofschoon nog in experimentele fase, zijn de resultaten hoopgevend, vooral in de VS maar ook hier. Maaike is daar een mooi voorbeeld van. Dit bewijst deze dappere vrouw (o.a.) door, ondanks haar fysieke klachten, deel te nemen aan Alpe d'Huzes. 
     Voor wie het niet weet: de uitdaging bij dit evenement betreft het beklimmen (meestal per fiets) van de gevreesde berg Alpe d'Hues, bekend uit de Tour de France. Het wordt jaarlijks georganiseerd ten bate van aandacht en (sponsor)gelden voor meer en beter kankeronderzoek en bestrijding van de ziekte. Daarnaast is het volbrengen van deze zware Alpentocht voor veel deelnemers een eerbetoon aan degene(n) die ze aan kanker verloren. Voor Maaike is de bergklim dan ook een dubbele daad.     
     Dus aan alle deelnemers, in het bijzonder aan haar: Zet 'm op!
     Alpe d'Huzes vindt plaats komende donderdag 4 juni. Doneren mag.

Kort filmpje over Maaike zien? Klik HIER

zaterdag 23 mei 2026

Belevenissenbos

 


Vorige week stond op deze plek het verhaaltje over iemand die zich kapot ergerde
aan het Belevenissenbos in Lelystad. (Zie blogje hieronder.) Het was deze persoon
opgevallen dat het dierenbestand - met name reeën en vossen - in het omliggende
groen, sterk achteruit was gegaan tijdens en na de aanleg van dit project.

Deze week zag ik in een regionale krant bovenstaande paginagrote advertentie waarin
werd uitgelegd hoe ruim € 70.000 aan Europees gelden in dit project was geïnvesteerd
zodat kids tijdens schoolreisjes 'de natuur leren verkennen via lessen en buitenspelen'.
In de praktijk komt het erop neer dat € 70.000 is besteed aan het, door drukte, verjagen
van wild ten gunste van kinderen die de natuur leren verkennen door erin te ravotten.
De persoon uit het vorige verhaaltje is geen kinderhater,
maar hiér wordt hij toch aardig grumpy van, wat vrij zacht is uitgedrukt..


zondag 17 mei 2026

Vergelding

Een meneer van zekere leeftijd zit, met een banaan in zijn hand, op een bankje bij het Belevenissenbos. Het terrein maakt deel uit van het Zuigerplasbos, gelegen aan de noordzoom van Lelystad. Dit deel, het Belevenissenbos dus, is omgedoopt tot speelruimte voor jonge avonturiers. Het is een groene en waterrijke heerlijkheid waar kinderen midden in de natuur kunnen apenkooien terwijl hun ouders picknicken (of op hun schermpjes kijken...) en tussentijds hun kleintjes in de gaten kunnen houden als die aan touwen slingeren, over omgezaagde bomen balanceren en door slootjes baggeren. Zelfs hele schoolklassen doen in georganiseerd verband deze plek aan. Het grut mag hier gerust vies en nat worden, want er zijn kleedhokjes en dixi-toiletten. En op zomerse dagen staat er een ijskar. Heel leuk, kun je zeggen.
     De meneer op het bankje (met nog steeds die banaan in zijn hand) vindt het echter helemáál niet leuk. Ten eerste voelt het ongemakkelijk om als man solo bij een recreatieplek voor kinderen te zitten. Wat zullen ze wel niet van hem denken? Maar belangrijker is dat dit speelbos zijn leefwereldje heeft verstierd. 
     Het terrein werd een jaar of tien geleden aangepast juist in het meest ongerepte deel van het Zuigerplasbos – mogelijk zelfs de kraamkamer –, daar waar hij zo graag kwam. Maar sinds deze oase van rust is omgesmeed tot avonturenwalhalla voor de jeugd, is de natuur achteruit gekacheld. In het verleden zag hij juist hier tegen zonsondergang vaak reeën grazen, konijnen dartelen en vossen sluipen. Maar met pijn in 't hart ontdekte hij al snel hoe de viervoeters verdwenen naarmate de kinderdrukte toenam.
     De meneer op het bankje hekelt met terugwerkende kracht de gemeenteplanologen en andere dwaallichten die destijds met het onzalige idee kwamen een stukje natuur op te offeren ten bate van ravottende, maar vooral blèrende koters: Ja, jullie kutkinderen hebben vast al alles wat je hartje begeert, en nu dus ook het eens mooiste deel van het groen. Rot/lazer/zout/tief op met jullie fokking belevenissenbos, verwende etterbakjes!
     Met driftige halen pelt hij zijn pisang en smakt hem nog driftiger weg. Daarna smijt hij als vergelding de schil met grote boog achterwaarts de bosjes in. Zó, het zal ze leren!

Je kunt er een nat pak halen. Altijd spannend...

zondag 10 mei 2026

Zelfbeeld

Mensen kijken graag, visueel ingesteld als we zijn. Toch zien we zonder hulpmiddelen heel veel niet, zelfs als iets extreem nabij is. Beste voorbeeld daarvan is ons uiterlijk, dat is grotendeels verborgen voor eigen blik. Dit onvermogen het eigen lichaam goed te bekijken, heeft vanzelfsprekend te maken met de positie van onze ogen, met de beperkte wendbaarheid van de schedel én ons lijf als geheel. 
     Neem je anus. Die kun je niet zien, wat best jammer is gezien de voordelen die een goede bezichtiging aldaar zou bieden. Maar oké, laat ik voor de gezelligheid wegblijven van die achterbuurt. Zoek het daarom hogerop, neem je rug. Die is eveneens zo goed als onzichtbaar, wat (ook) jammer is omdat je graag de aldaar vaak aanwezige onregelmatigheden zou willen inspecteren. Overigens wil de lezer niet weten welke proefondervindelijke capriolen ik tijdens het opstellen van dit tekstje uithaalde – dit voor het plaatje. 
      Belangrijker nog bij het bezichtigen van het eigen fysiek, is dat deel waar je 'ik' zich bevindt, je hoofd. Wederom geldt: je ziet er zonder (spiegelend) hulpmiddel vrijwel niks van. Ten bate van de wetenschap heb ik ook hier de proef op de som genomen. Bij een bekkentrekkende studie van mijn eigen kanis kwam ik niet verder dan stukjes neusvleugel, ietsiepietsie van mijn getuite mond, een fractie van de wangen, een tongpuntje en wat overhangende wenkbrauwhaartjes. Voorhoofd, kin, keel, kaken, oren, slapen, achterhoofd, nek, kruin: allemaal hoofddelen die onbereikbaar waren voor mijn ogen.
     Wat we, buiten al die blinde vlekken, goed zelf kunnen bekijken, zijn onze borst, buik, ledematen en uitwendige geslachtsorganen. Best een deprimerend uitzicht, ervoer ik ter plekke – ook dit voor het plaatje. 
     Gelukkig zijn mensen extreem vindingrijk. Naast de spiegel vonden wij de camera, scanner, röntgenapparatuur, et cetera uit. Dankzij deze hulpmiddelen hebben we nu, binnen het dierenrijk, de beste kijk op onszelf. Dit zou voor een objectief zelfbeeld moeten zorgen. Helaas vind je dat in ons gedrag amper terug. 

zondag 3 mei 2026

Speklapjes met kapucijners

De liftdeuren openen zich en ik loop de speciale afdeling van het verzorgingshuis binnen. Aan het einde van de gang bevindt zich de huiskamer van de kleine leefgemeenschap die hier 24 uurs-verzorging geniet. Rond de centraal geplaatste eettafel tref ik zes oude dames in hun rolstoelen aan.
     ‘Kijk eens wie daar is,’ zegt een zorgverlener die erbij staat. De dame waar ik voor kom kijkt me aan zonder blik van herkenning.
     ‘Ruud,’ zeg ik. Geen reactie. Maar als de mist iets optrekt, breekt er een voorzichtige lach door en herhaalt ze mijn naam. Vervolgens gaat ze weer kalmpjes verder waarmee ze bezig was: lezen in een tijdschrift. De oude dame was altijd al een verwoed lezeres. Ze weet dan ook veel, lectuur houdt haar scherp. Maar helaas niet meer scherp genoeg om zonder verzorging te kunnen. Dat geldt ook voor de andere vrouwen. Dokter Alzheimer regeert hier: er wordt gezwegen, gedut, glazig gestaard, in de verleden tijd gedacht. Twee dames zitten er zelfs bij als vastgeroeste jaknikkers: sterk voorovergebogen, hun voorhoofd vlakbij het tafelblad.
     Dan komt er nóg iemand de huiskamer binnen, een vrolijke en warmhartige vrijwilligster, zo blijkt. Zij is het die de groep tot zingen activeert. Tulpen uit Amsterdam, Bij ons in de Jordaan, My Bonnie is over the ocean. Drie oudjes doen leuk mee, eentje zingt zelfs uit volle borst. Ook ik val in; je moet wat.
     Intussen cirkelen nu twee professionele zorgverleners om de groep, links en rechts bijstand verlenend. De ene is een vrolijke rastaman uit Ethiopië, de andere een kordate Poolse – de zorgkaart van Nederland in een notendop.
     Om 16.50 uur verdeelt de Poolse plastic placemats over de tafel, etenstijd nadert. ‘Speklapjes met kapucijners,’ roept de meest bijdehante tante verrukt als ze op de menukaart kijkt.
     ‘Eet u mee,’ vraagt de vrolijke rastaman uit Ethiopië mij. Ik bedank vriendelijk, maar hij blijft aandringen. Daarom verzin ik dat er thuis op me wordt gewacht.
     De liftdeuren laten me weer vrij. Huiswaarts fietsend, neem ik me voor om direct na thuiskomst mijn reeds ingevulde wilsverklaringen* scherper te stellen. 

* Voor wilsverklaringen kan men terecht bij de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE).

zondag 26 april 2026

Genoeg

Tijdens mijn eerste baantje, eind zestiger jaren van de vorige eeuw, adviseerde een wijze collega me altijd één maandloon achter de hand te hebben. Voor onvoorziene situaties, bijvoorbeeld als de Koude Oorlog een Warme mocht worden.
     In de jaren zeventig, inmiddels verhuisd naar de polder, hadden we leuke, seniore buurtjes. Eens, tijdens een koffiemoment, vertelde buuf openhartig dat 'hunnie' altijd 10.000 gulden in reserve hadden. Als achterdeurtje voor als de wasmachine of auto het begaf. Ik weet nog dat ik toen in verbijstering dacht: 10.000 gulden is een godsgruwelijk vermogen dat wijzelf – jong gezin met kindjes, diertjes en ander gedoe – nooit bij elkaar zouden kunnen sparen. Sterker, we waren blij als we het einde van de maand haalden. We déden het ermee, zonder achterdeurtje.
     Decennia verstreken; sparen lukte beter. De financiële soesa verdween echter niet, ze veranderde slechts in opties. 
     Bij een buitenlandse bank ontvang je meer rente, is het misschien handig om daar je spaarcentjes te stallen? Of kun je beter in aandelen en crypto's gaan? Of alles lekker verbrassen door die blinkende auto te bestellen, of die strakke keuken met kookeiland, of die droombadkamer met regendouche en infrarood verwarming? Een ander idee is je hut verzilveren en emigreren naar Bali. Mooie optie is ook om je restgeld te schenken aan goede doelen. Maar goede doelen en strijkstokken gaan vaak samen. En hoe zit dat nou precies met vermogensbelasting, of box 3?
     Maar wacht, je kunt je poen ook aan innerlijke verrijking spenderen. Onderneem om te beginnen een bedevaart naar Santiago de Compostella. Reis daarna af naar India om aan de leiband van een sannyasin te (leren) mediteren. Of ga op retraite in een Tibetaans klooster. Vind geestverruiming tussen de Amazone-indianen middels Ayahuasca. Enzovoort.
     Keuzestress door financiële ruimte, lekker hoor. Ik hou me daarom toch maar gewoon aan de aloude zegswijze 'genoeg is genoeg'. Wel oppassen voor haar rekbaarheid, voor je het weet glij je af naar 'nooit genoeg'.

zondag 19 april 2026

Kinderbrein

Op een vroege lentedag, begin maart, toerden mijn begeleidster en ik naar Elburg. We doen het oude vestingstadje graag aan, vinden het centrum(pje) schilderachtig en knus. Het is er ook genieten van het in de wijde omtrek beroemde ijs van Casa Piccola. Maar wie liever in een visje hapt, ook goed.
     Op de Vischmarkt vonden we een vacant bankje waarop mijn begeleidster rustig van haar citroengras-bosbessen-mango-yuzu-ijs kon genieten. En ik van het nietsdoen.
     Toevallig was niet ver van ons vandaan een cameraploeg actief, een kwartet bestaande uit regisseur, cameraman, technicus en een heuse presentator. De laatste ondernam op commando een loopje richting camera waarbij hij een wervende tekst insprak. Betreffende actie herhaalde hij een paar keer; wellicht was-ie gestruikeld over zijn woorden of kwam er iets in beeld wat de scène om zeep hielp. Pas na vijf takes was de regisseur tevreden. Daarna liet de crew een drone op, want zonder helikopterview behoor je als filmmaker tot de fossielen. Ten slotte schoot de vaste camera wat straatbeelden waarbij, zag ik, ook snel 'ons' bankje werd vereeuwigd. Het zal allemaal wel, dacht ik toen. Bekend is immers dat de meeste shots de eindmontage niet halen. Men voelt ‘m al.
     Vorige week zapte ik doelloos langs enkele de tv-zenders toen ik uit het niets ons tweetjes op dat bankje in Elburg zag zitten. Ogenblikkelijk klotsten dopamine, endorfine en adrenaline door mijn kinderbrein: We zijn in beeld!
     Indachtig Descartes' uitgangspunt Ik denk dus ik ben, smeedde mijn ego het alternatief: Ik ben op teevee dus ik bèn. Want laten we wel wezen, je stelt pas iets voor als je met je porem op de buis bent, zeker bij de NPO. Dankzij die twee seconden beeldvulling voelde ik instant bevestiging van mijn bestaan. Eindelijk! De afgelopen 77 jaren vergeten we daarom maar snel, waren slechts spielerei. No problemo, beter laat dan nooit.
     Uiteraard spreek ik louter voor mezelf. Begeleidster laat mijn wanen koud van zich afglijden. Zij is meer van het ijs.


Moment of fame zien? Spoel dit FILMPJE snel door naar de laatste minuut. 

zondag 12 april 2026

Van de pot gerukt

Je kunt veel beter van het pad raken dan van de weg. Wie van het pad is geraakt, is wellicht verdwaald. Wie van de weg is geraakt, is betrokken bij een ongeluk. Verdwalen kan avontuurlijk zijn. Betrokken zijn bij een wegongeluk is uitgesproken ellendig.
     Sowieso zorgt het woord ‘pad’ voor meer zachtheid in het bestaan; het klinkt gezelliger en natuurlijker. Op of langs paden is het doorgaans goed vertoeven. Het zijn vaak rustige tot mijmeren uitnodigende doorgangen door velden, bossen en bergweiden. Je ziet een aantrekkelijke route voor je, veel groen, grazige bermen, een slootje, een hekje, een beekje, een rustbankje, een dorpje in de verte, een koetje en een kalfje.
     Soms heeft een pad verharding, heel vaak niet. Het spectrum is zo breed dat je er een column mee kunt vullen: wandelpad, fietspad, klinkerpad, ruiterpad, bospad, bergpad, tuinpad, duinpad, zandpad, heidepad, pelgrimspad, schelpenpad, jaagpad, vlonderpad, blotevoetenpad, klompenpad. Klinkt allemaal toch een stuk innemender dan tweebaansweg, Rijksstraatweg of straatprostitutie? Een pad kent de menselijke maat. Het pad effenen; iemands pad kruisen; een nieuw pad inslaan; het rechte pad bewandelen; op het goede pad zitten; het hazenpad kiezen.
     Nog beter wordt het bij ‘paadje’. Een geitenpaadje is veel knusser dan een sluiproute. En een olifantenpaadje klinkt aantrekkelijker dan een afgesneden traject.
     Ook mooi is 'padje'. Zeg nou zelf, klinkt Hij is van het padje niet veel eleganter dan Hij is van de pot gerukt? Dat gezegd hebbende, past laatstgenoemde uitdrukking wel weer verdomd goed bij megalomane mannetjes die een heilloze oorlog ontketenen.

Heidepad

zondag 5 april 2026

Diogenes

Voor cynici is het glas niet half, maar gehéél leeg. Zij hebben weinig vertrouwen in de mensheid, staan sceptisch tegenover onze bedoelingen. Voor hen zijn mensen kwezels die vaak de schijn ophouden, maskers dragen. Cynici kijken daarom graag van een afstandje toe, observerend, zichzelf bevragend, zoekend naar waarheid. 
     De Griek Antisthenes, een leerling van Socrates, was grondlegger van het cynisme, de filosofische stroming die vier eeuwen voor onze jaartelling ontstond. Eveneens bekend was de steenrijke Crates van Thebe die al zijn bezittingen weggaf om cynicus te worden. Maar de meest bekende onder hen was Diogenes van Sinope. Hij leefde in Athene tussen 404 en 323 voor Christus. Deze wijsgeer woonde in een aardewerken ton, bezat slechts een sjofele mantel, een kom om uit te eten en een drinkbeker. Ook schijnt hij beschikking te hebben gehad over een lantaarn waarmee hij, provocerend op klaarlichte dag, op zoek ging naar een waarachtig mens. Behalve provoceren deed Diogenes niets voor de kost; hij leefde van aalmoezen. De ledigheid verdreef-ie door te praten (in zichzelf?), te mijmeren en openlijk te masturberen.*
     De mare gaat dat Alexander de Grote sterk geïnteresseerd was in Diogenes. Zelfs zo dat de toen machtigste man op aarde een lange reis ondernam om hem te ontmoeten. Bij de cynicus in zijn ton aangekomen, schijnt Alexander aan Diogenes te hebben gevraagd wat hij van hem wilde hebben; hij kon alles krijgen. Diogenes' antwoord: ‘Als ik alles kan krijgen, wil je dan een stap opzij doen, want je staat voor de zon.’
     Cynici zijn er door de eeuwen heen altijd geweest. In onze tijd zijn de Franse auteur Michel Houellebecq en de Britse komiek Ricky Gervais aardige voorbeelden. De eerste gaat ogend als een clochard door het leven, mede door al zijn tanden te laten trekken, uit overtuiging dat je looks er niet toe doen. De laatste schopt in zijn films en optredens voortdurend tegen de mensheid aan en beweert alleen van zijn hond te houden. In tegenstelling tot Diogenes zijn Michel Houellebecq en Ricky Gervais er wél heel succesvol en rijk mee geworden, wat je ironisch zo niet cynisch kunt noemen.
     Grote vraag is natuurlijk of cynici een punt hadden, of hebben. Ik heb werkelijk geen flauw idee, maar kan er beslist om grinniken. Dus van mij mogen ze. 

* Bron: Rust, reinheid en regelmaat, Wilma de Rek. Daarnaast Wikipedia.

De filosoof Diogenes (hier met zijn lantaarn aan het klooien)
leefde in een aardewerken ton in het oude Athene.


zondag 29 maart 2026

Een groene!

Mijn stad is niet de meest gewilde van het land. Sterker, veel Nederlanders zouden er niet dood gevonden willen worden. Dat kan, maar ik heb het er goed naar de zin; vooral ook door het vele blauw en groen dat Lelystad omringt. En aangezien mijn woonwijk aan de stadsrand ligt, krijg ik daar veel van mee. Zoals onlangs, toen ik op driehonderd meter van huis, in het Zuigerplasbos, een ontmoeting had met een koppeltje reeën. Mijn dag kon niet meer stuk.
     Afgelopen week deed ik in dezelfde omgeving een nieuwe ontdekking. Ik nam een hoog gelach waar, alsof ik werd bespot vanuit de nog half kale bomen. Het zal toch niet, dacht de bescheiden vogelaar in me. Als ik aan een lachende vogel denk, zie ik de groene specht voor me. Maar dat kón helemaal niet, want groene spechten houden van oude, gemengde bossen. Zo zag ik hem ooit in de Achterhoek. Maar in het jonge Flevoland, en dan nog wel als het ware om de hoek?
     Eén dag later hoorde ik die spottende lach opnieuw, nu terwijl ik langs de bosrand richting IJsselmeerkust wandelde, naar het koopjesdorp Batavia-stad of all places. Wederom werd ik van hogerop uitgelachen. Ik tuurde omhoog, screende het uitbottende voorjaarsloof. Niets te zien, bovendien zweeg de natuur weer. Ineens maakte een schicht zich los van een populierenbast en zweefde weg in de kenmerkende, wippende spechtenvlucht. Een groene!
     Direct na thuiskomst zocht ik online naar bevestiging. Jippie, op een landelijke site voor vogelspotters vond ik meerdere recente hits van deze groene pracht, exact op dezelfde locaties vlakbij huis! 
     En nu maar hopen dat ik nog vaak word uitgelachen. 

Kort filmpje van de groene specht zien? Klik HIER


zondag 22 maart 2026

Klimaatdoelen

Opwarming van de aarde is een serieuze bedreiging, en niet alleen voor de ijsbeer. Als goed wereldburger steun ik daarom alle maatregelen die klimaatverandering binnen de perken houden. Wél met een meewarige glimlach.
     Moeder Aarde is ruim een 4,5 miljard jaar oud. Wie met reuzenstappen door haar geschiedenis gaat, krijgt apocalyptische veranderingen mee. Tijdens haar eerste miljard jaar (het Hadeïcum) was ze een gloeiende bol die de honderd graden aantikte. Vulkanen domineerden. Die stootten hete gassen uit waardoor een dikke damp onze planeet omzwachtelde. Toen de aarde afkoelde zette die damp zich om in wolken. Uit de wolken viel regen. En hoe! Wetenschappers beweren dat die onbarmhartige buien tien- tot vele honderdduizenden jaren aanhielden. Mogelijk regende het zelfs, welja, een miljoen jaar aaneen. Oceanen ontstonden. Pakweg een miljard jaar later ontstond in al dat water het eerste (eencellige) leven. 
     Daarmee was het feest niet voorbij. Gedurende tientallen miljoenen jaren leek het hier wel een kookpan, dan weer een vrieskist. En vice versa. Hete, kletsnatte of ijskoude periodes volgden elkaar op. Transitie, voortdurend in transitie. Landmassa's rezen, gingen kopje onder, verschoven. Precambrium, Cambrium, Devoon, Perm, Trias, Jura, Krijt. Levensvormen verdwenen of ontsproten. Steeds weer. Erupties van binnenuit of buitenaardse brokstukken creëerden tijdvakken waarvan we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Het wordt pas een beetje bevattelijk bij de plaatjes van de laatste ijstijd: mammoeten, wolharige neushoorns en wijzelf gehuld in dierenvachten. Maar die beelden vormen voor ons slechts het klimatologische topje van de ijsberg.
     Hopelijk op tijd nemen we (nou ja, velen van ons) verantwoordelijkheid voor de huidige aardopwarming. Terecht. Wij zijn nu zélf de oorzaak, door overbevolking en consumptief gedrag. Daarom sta ik, zoals gezegd, achter de initiatieven die mondiale temperatuurstijging moeten tegengaan. Denk aan ons nageslacht! Maar tussen alle idealistische klimaatdoelen door, krijg ik die meewarige glimlach niet van mijn gezicht.


zondag 15 maart 2026

Ventieldopje

Je kunt gerust stellen dat de mens het intelligentste wezen op aarde is. In essentie is hij echter niet veel meer dan een slimme bonobo. Ondanks onze rijke woordenschat en knappe uitvindingen zijn wij – van president tot pauper – direct of indirect vooral druk met onszelf. Het grote geheel is bijzaak. Bonobo's dus. 
     Terwijl de wereld in brand stond, liep ik afgelopen week uit gewoonte een rondje om mijn limousine. Daarbij constateerde ik één ontbrekend ventieldopje. Op zich geen ramp, hooguit was het ventiel meer vatbaar voor vuil en vocht. Toch stoorde de verdwijning van dat ene draaidopje me bovenmatig. Het was onesthetisch en voelde fout. Vier banden, vier ventielen, drie ventieldopjes. Het autisme-spectrum is breed.
     Zuchtend ging ik op jacht naar een nieuw dopje. Online vind je ze overal. En anders moet je ervoor naar een accessoiresshop. Gedoe, vooral toen bleek dat ze alleen in setjes van (minstens) vier werden aangeboden. Die setjes kostten slechts een paar euro. Toch voelde dat voor mij, als notoire krentenweger, veel te duur. Ik had potjandorie slechts één minuscuul zwart plastic dopje nodig. Uno!
     Een simpeler oplossing kwam bovendrijven. Die was kosteloos en je hoeft er niet ver voor op pad. Autoventielen hebben vrijwel altijd dezelfde maat (het zgn. Schrader-type), dus je treft ze overal aan. In elke straat, op elke parkeerplek. Het enige wat je hoeft te doen is een dopje losschroeven van een nabij gestalde vierwieler. Kinderwerk.
     Twijfel sloeg toe. Stelen hoort niet, is asociaal. En misschien gaat er wel een autoalarm af. Bovendien hangen overal camera’s. Zwaarwegender was echter het besef dat een heer van stand zich niet op deze wijze mag verlagen.
     Tot bezinning gekomen, bestelde ik braaf online een setje van vier ventieldopjes à 3,50 euro inclusief bezorgkosten. Na ontvangst was één ervan snel aangebracht wat mijn karretje weer mooi in balans bracht. Fijn, maar de overbodigheid van de drie resterende dopjes bleef mij als slimme, edoch krenterige bonobo danig dwarszitten. Dit terwijl de wereld nog steeds in brand stond.


zondag 1 maart 2026

Aha-erlebnis

Wanneer ik in een mindere bui ben, denk ik graag aan de Eerste Wereldoorlog. Wat is dat voor gekkigheid, zal menigeen zich nu afvragen. Die oorlog was een niet te beschrijven soldatenhorror, hoe kun je daar nu met graagte aan denken? Ja sorry hoor, maar WO1 en de geschiedenis eromheen blijven me nu eenmaal zodanig boeien dat ik mijn eigen sores tijdelijk vergeet. Ieder z'n maniertjes.
     Mijn moeder was volbloed Duitse. Mijn vader was een Indo-Europeaan met ook aardig wat Duitse genen. Er stroomt dus grotendeels Germaans bloed door mijn aderen. Dat merkte ik een aantal jaren terug weer 'ns. Gefascineerd door de historische omgeving, wandelde ik toen over de Duitse militaire begraafplaats Fribourgvlakbij de Somme-rivier in Noord-Frankrijk, een immens ereveld. Op enkele grafzerken las ik de mij bekende familienamen.
     Vandaag ineens, tsja tijdens zo'n mindere bui, vindt mijn bovenkamer het bewijs dat die Duitse jongens/mannen, wiens namen ik tegenkwam bij de ontelbare graven bij de Somme, een Stahlhelm moeten hebben gedragen. Lekker boeiend, zullen velen denken. Maar bij deze WO1-gek zorgt zo'n aha-erlebnis voor meer inzicht (en beroering). De slag bij de Somme – één miljoen gesneuvelden – speelde zich namelijk af van midzomer tot najaar van 1916. 
     Nadere uitleg? Komt-ie. 
     In 1914 en 1915, de eerste twee jaren van de Eerste Wereldoorlog dus, droegen de Duitsers de zogenaamde Pickelhelm of Pickelhaube. Dat was zo'n typisch Pruisisch model van hard leder met wat ijzeren details. Meest opvallend was echter de scherpe metalen punt bovenop die fierheid en strijdlust moest uitstralen. Sommigen beweren dat soldaten die punt eraf schroefden: te onhandig om onder prikkeldraad door te kruipen. Maar veel ernstiger was dat Heinrich, Ludwig, Fritz, Otto of Wilhelm – zich veilig wanend in hun loopgraven – bijzonder kwetsbaar bleken voor neervallende granaatscherven die hun lederen Pickelhelm moeiteloos doorboorden. Om die reden werd begin 1916 de Stahlhelm ingevoerd. Dus vóór de slag bij de Somme losbarstte! Die stalen helm bood vanzelfsprekend veel betere bescherming, ook bij de nek en slapen. 
     Het was dit type hoofdbescherming dat de Duitsers, met wat aanpassingen, zouden blijven gebruiken tijdens het interbellum, ja zelfs tot aan het bittere einde van de volgende (!) wereldoorlog. Diezelfde potvormige stalen helmen die samen met swastika’s en zwarte laarzen, uit zouden groeien tot dé symbolen van Nazi-Duitsland. Maar daar hadden die arme Heinrich, Ludwig, Fritz, Otto of Wilhelm, die sinds WO1 in de Noord-Franse grond liggen, totaal geen weet van.
     Reuze interessant, toch? En ziedaar: mijn mindere bui is verdwenen. Grüss Gott.

Pickelhelm, ook wel Pickelhaube genoemd. Door de Duitsers/Pruisen
 al ver voor WO1 in gebruik tot en met de eerste oorlogsjaren, 1914 en 1915.
Hij bleek in deze 20e-eeuwse setting te onpraktisch en vooral te kwetsbaar.

De Stahlhelm verscheen in 1916. Deze helm bood veel meer bescherming.
Hij zou evolueren tot het model dat we kennen uit de Tweede Wereldoorlog
en (naast zwarte laarzen en hakenkruizen) symbool stond voor de Nazi-tijd.



zondag 11 januari 2026

Superaardig

Op een extreem winterse dag moest ik naar het Gelre Ziekenhuis in Zupthen. Hier stond een serie medische afspraken gepland die een voor een zouden worden afgewerkt. Afgewerkt klinkt hier een beetje negatief, maar ik bedoel het goed en aardig.
     Alle mensen op de hoofdpijnpoli, maar ook de patiënten of bezoekers in de wachtruimtes die ik ontmoette, waren zelfs meer dan aardig. Superaardig. Mijn behandelaren waren overigens allen vrouw, wat niet vreemd is in de zorg. De neuroloog, co-assistent, hoofdpijnverpleegkundige, de fysio, mensen op de prikpoli, receptie, de restaurantcaissière: allemaal ontzettend aardige dames. Ze complimenteerden me bovendien met het feit dat ik van zover was gekomen ondanks het barre winterweer. 
     Nu moet ik toegeven dat ik die pluimen best verdiende, want de rit was zenuwslopend. Per trein was geen optie aangezien de dienstregeling haperde. Dus ploegde ik moederziel alleen in mijn skelter-op-zomerbandjes door de spekgladde polder en over de Veluwe die weliswaar was omgetoverd tot een winterwonderland, maar door de elementen getransformeerd was tot een bobsleebaan vol verraderlijke chicanes bestaande uit sneeuwschuivers, al dan niet geschaarde vrachtwagens en andere ploeterende weggebruikers die om wat voor reden dan ook van A naar B moesten ondanks de waarschuwing Blijf Thuis! Maar ja, ik had die serie afspraken nu eenmaal staan, dus ging ik plichtsgetrouw op mijn ingesneeuwde doel af als een sintbernardshond met een vaatje brandy om zijn nek. En dát werd dus uitbundig op prijs gesteld door al die superaardige luitjes in het Gelre Ziekenhuis te Zupthen. Zelfs toen ik aan het eind van de middag met kleumende vingers stuntelde bij de betaalautomaat op de parking, snelde iemand me te hulp. Aardig, aardig, aardig.
     Op dit punt gekomen zitten sommige lezers mogelijk te wachten op een knipoog of kwinkslag, zoals het een column betaamt. Die moet ik helaas teleurstellen. Ik eindig heel gewoon met een warm hart in een koude wereld. Superaardig dus.

zondag 4 januari 2026

Achterhaald of achterlijk?

Ik werd ingehaald door een hardloopster. In weinig aan de fantasie overlatend lycra snelde ze voort met op haar hoofd een koptelefoon. Kort daarop kruiste mij een vormeloos wezen gehuld in een donkerbruine boerka. Gelet op het enig menselijk zichtbare – donker omlijnde ogen – leek het mij een vrouwmens. De hardloopster met haar koptelefoon en de boerkadraagster vormden zowel een contrast als gelijkenis. Dat laatste doordat beiden typische cultuurproducten zijn. Net als linkse jongeren in de vorige eeuw die met de zwarte baret van Che Guevara dweepten, of hoge officieren met een steek op hun hoofd in de 19e eeuw, of gepoederde kapsels in de eeuw daarvoor. Fraaie uitingen van plaats en tijd, maar daarbuiten potsierlijk.
     De draagster van de boerka behoeft wel enige nuancering. Weliswaar is ook zij, zoals ik al noemde, een cultuurproduct, maar dan wel van een achterhaalde cultuur die maar van geen wijken weet, zelfs in regio's waar ze geen historie kent. Aangezien de Koran géén boerka voorschrijft (zelfs een hoofddoek lijkt meer interpretatie dan voorschrift), ligt de oorsprong in een eeuwenoude tribale cultuur die gestoeld is op kuisheid en bescherming tegen een boze buitenwereld. Het bijzondere daaraan is dat ze júíst die verdorven buitenwereld (het Westen) is binnengetrokken, ongetwijfeld om er beter van te worden. Opportunisme is niemand vreemd.
     Vaak kiezen de dames zelf voor deze vorm van lichaamsbedekking, heel vaak niet. In laatste geval ligt dat aan de mores binnen een gemeenschap die zich kenmerkt door groot statusverschil tussen de seksen. Hierbij geldt dat de heren erop toezien dat hun vrouwen, dochters en zusters aanstootloos over straat gaan. De eer van de familie is immers in het geding. Maar binnenskamers mogen de remmen weer los en maken de heren retegraag gebruik van hun privileges, niet zelden op gebiedende wijze. Bekeken vanuit eigentijds westers perspectief is het van een treurnis die kenmerkend is voor vastgeroeste ideeën die net zo kansloos zijn als een logge stadsduif tegenover een slechtvalk. Mijn wens voor 2026 is daarom dat je dit soort dogmatische geloofsculturen gewoon achterhaald mag noemen, zónder te vrezen voor intimidatie of geweld. Zo niet, dan past achterlijk beter.