Gelukkig ben ik hier niet de enige senior. Schuin rechts voor me zit een generatiegenoot in kleermakerszit op zijn badlaken, eveneens solo. Een magere man, vrijwel kaal. Het weinige haar dat hij nog bezit, heeft hij tot sprietig staartje gebundeld dat bungelt op zijn iele rug. Ieder het zijne, zeg je dan ridderlijk.
Mannen met staartjes of knotjes – jong en oud – zie je anno nu best veel. Maar in 1970 was dat bijzonder. Ik was toen eenentwintig, kwam gekortwiekt uit militaire dienst. Dus liet ik mijn haar vrijuit groeien, tot, nou ja, dat zag ik dán wel weer. Juist in die periode kocht ik het debuutalbum van de band Chicago Transit Authority, later ingekort tot Chicago, wat beter bekte. Ik was weg van deze formatie, vooral vanwege de jazz fusion sound, met dank aan de krachtige blazerssectie, toen uniek in de rockscene. Op de lp-hoes zag ik dat een van die blazers zijn lange lokken tot een staartje had vervlochten. Ik was gelijk verkocht. Vond het ruig, stoer, uitdagend, rebels, tegendraads, non-conformistisch, anti-establishment. Kortom: vrij! Kerels met staarten associeerde ik, naast rockers en kunstenaars, met inheemse krijgers, vikingen, samoeraivechters en andere verheven types. Op hen wilde ik lijken.
De praktijk bleek weer eens weerbarstig. Lang haar zát gewoon niet lekker. Zo'n dos voelde snel te warm, werd plakkerig en irritant jeukerig. Bovendien was ik geen rockmuzikant maar een schuwe kantoorklerk – ken jezelf.
Nu ik er zo op terugkijk stijgt mijn achting voor de bijna kale boomer op het strand rechts voor me op zijn badlaken, in kleermakerszit. Zijn sprietig staartje hangt tussen de schouderbladen, als bij een rocker of samoeraivechter in ruste. Híj wel.
Nu ik er zo op terugkijk stijgt mijn achting voor de bijna kale boomer op het strand rechts voor me op zijn badlaken, in kleermakerszit. Zijn sprietig staartje hangt tussen de schouderbladen, als bij een rocker of samoeraivechter in ruste. Híj wel.









