Een late decemberdag in de Flevolandse natuur. Doodstil, niemand te bekennen. Vertrokken vanuit het bezoekerscentrum Oostvaardersplassen, volg ik de
Zeearendroute die met groene pijltjes is aangegeven. Ik heb dit pad al zo vaak afgelegd dat alles zowat werktuiglijk gaat. Ik loop hier vooral om de sores te laten varen én om mezelf straks in de kleine resto te trakteren op een kop warme chocolade. Zo gedachteloos voortgaand, is het wel zaak niet in de poep te stappen. Het pad ligt bezaaid met wagenwielgrote flatsen van vrijlopende hoefdieren, heel soms een vossendrol. Zo zie ik het graag: puur natuur en zonder opsmuk, een weldaad in deze kerstperiode.
Plots rijst pal voor me een blokkade op: een compacte kudde halfwilde koniks. Ik ben geen paarden gewend, dus wat nu? Wandelaars worden aangeraden afstand te houden tot de grote grazers, zeker als ze kleintjes hebben. En die hebben ze. Maar ja, de koniks staan midden op het verharde voetpad en de naastliggende ruigte is drassig. Maak ik een laffe omweg door de berm of toon ik moed?
Voetje voor voetje nader ik, maar hou mijn pas in zodra twee paarden zich losmaken van de groep en behoedzaam mijn richting op stappen. Vijf meter, twee meter, een meter, halve meter, decimeter én
touchdown. Het voorste dier drukt zijn snufferd tegen mijn borst, zachte lippen tamponneren de riem van mijn schoudertas. Het tweede paard sluit aan, duwt zijn neusgaten in mijn kraag. Ik maak een afwerend gebaar, eigenlijk meer een afwijzende aai want ik wil geen ruzie met deze breedgeschouderde jongens.
Intussen is ook de rest van de kudde genaderd, schuurt zich langs me heen, grazend, snuivend, boerend, pissend. Een in expliciete staat van opwinding verkerende hengst probeert en passant een merrie te beklimmen, maar wordt ferm afgewezen. We vormen nu één organisme gekenmerkt door penetrant paardenzweet, oprispend gebries, rillende huidspieren, wilde waaierstaarten, donkere wimpers, dooraderd oogwit. Ik durf me amper te bewegen, hou de adem in, verlies wat urine.
Een klein uur later sta ik weer in het bezoekerscentrum. Geen bezoeker te bekennen. Bij de counter bestel ik warme choco, kies een stoel bij het raam en kijk naar de natuur waar ik zonet nog deel van uitmaakte. Zo gezeten voelt het nat rond het kruis, maar achter het borstbeen zit iets dat verdomd veel lijkt op geluk.
 |
Deze foto was nauwelijks gemaakt of de halfwilde koniks kwamen mijn kant op. Eerst twee paarden, later volgde de rest van de kudde. |