zondag 12 april 2026

Van de pot gerukt

Je kunt veel beter van het pad raken dan van de weg. Wie van het pad is geraakt, is wellicht verdwaald. Wie van de weg is geraakt, is betrokken bij een ongeluk. Verdwalen kan avontuurlijk zijn. Betrokken zijn bij een wegongeluk is uitgesproken ellendig.
     Sowieso zorgt het woord ‘pad’ voor meer zachtheid in het bestaan; het klinkt gezelliger en natuurlijker. Op of langs paden is het doorgaans goed vertoeven. Het zijn vaak rustige tot mijmeren uitnodigende doorgangen door velden, bossen en bergweiden. Je ziet een aantrekkelijke route voor je, veel groen, grazige bermen, een slootje, een hekje, een beekje, een rustbankje, een dorpje in de verte, een koetje en een kalfje.
     Soms heeft een pad verharding, heel vaak niet. Het spectrum is zo breed dat je er een column mee kunt vullen: wandelpad, fietspad, klinkerpad, ruiterpad, bospad, bergpad, tuinpad, duinpad, zandpad, heidepad, pelgrimspad, schelpenpad, jaagpad, vlonderpad, blotevoetenpad, klompenpad. Klinkt allemaal toch een stuk innemender dan tweebaansweg, Rijksstraatweg of straatprostitutie? Een pad kent de menselijke maat. Het pad effenen; iemands pad kruisen; een nieuw pad inslaan; het rechte pad bewandelen; op het goede pad zitten; het hazenpad kiezen.
     Nog beter wordt het bij ‘paadje’. Een geitenpaadje is veel knusser dan een sluiproute. En een olifantenpaadje klinkt aantrekkelijker dan een afgesneden traject.
     Ook mooi is 'padje'. Zeg nou zelf, klinkt Hij is van het padje niet veel eleganter dan Hij is van de pot gerukt? Dat gezegd hebbende, past laatstgenoemde uitdrukking wel weer verdomd goed bij stompzinnige machthebbers die een heilloze oorlog ontketenen.

Heidepad

zondag 5 april 2026

Diogenes

Voor cynici is het glas niet half, maar gehéél leeg. Zij hebben weinig vertrouwen in de mensheid, staan sceptisch tegenover onze bedoelingen. Voor hen zijn mensen kwezels die vaak de schijn ophouden, maskers dragen. Cynici kijken daarom graag van een afstandje toe, observerend, zichzelf bevragend, zoekend naar waarheid. 
     De Griek Antisthenes, een leerling van Socrates, was grondlegger van het cynisme, de filosofische stroming die vier eeuwen voor onze jaartelling ontstond. Eveneens bekend was de steenrijke Crates van Thebe die al zijn bezittingen weggaf om cynicus te worden. Maar de meest bekende onder hen was Diogenes van Sinope. Hij leefde in Athene tussen 404 en 323 voor Christus. Deze wijsgeer woonde in een aardewerken ton, bezat slechts een sjofele mantel, een kom om uit te eten en een drinkbeker. Ook schijnt hij beschikking te hebben gehad over een lantaarn waarmee hij, provocerend op klaarlichte dag, op zoek ging naar een waarachtig mens. Behalve provoceren deed Diogenes niets voor de kost; hij leefde van aalmoezen. De ledigheid verdreef-ie door te praten (in zichzelf?), te mijmeren en openlijk te masturberen.*
     De mare gaat dat Alexander de Grote sterk geïnteresseerd was in Diogenes. Zelfs zo dat de toen machtigste man op aarde een lange reis ondernam om hem te ontmoeten. Bij de cynicus in zijn ton aangekomen, schijnt Alexander aan Diogenes te hebben gevraagd wat hij van hem wilde hebben; hij kon alles krijgen. Diogenes' antwoord: ‘Als ik alles kan krijgen, wil je dan een stap opzij doen, want je staat voor de zon.’
     Cynici zijn er door de eeuwen heen altijd geweest. In onze tijd zijn de Franse auteur Michel Houellebecq en de Britse komiek Ricky Gervais aardige voorbeelden. De eerste gaat ogend als een clochard door het leven, mede door al zijn tanden te laten trekken, uit overtuiging dat je looks er niet toe doen. De laatste schopt in zijn films en optredens voortdurend tegen de mensheid aan en beweert alleen van zijn hond te houden. In tegenstelling tot Diogenes zijn Michel Houellebecq en Ricky Gervais er wél heel succesvol en rijk mee geworden, wat je ironisch zo niet cynisch kunt noemen.
     Grote vraag is natuurlijk of cynici een punt hadden, of hebben. Ik heb werkelijk geen flauw idee, maar kan er beslist om grinniken. Dus van mij mogen ze. 

* Bron: Rust, reinheid en regelmaat, Wilma de Rek. Daarnaast Wikipedia.

De filosoof Diogenes (hier met zijn lantaarn aan het klooien)
leefde in een aardewerken ton in het oude Athene.


zondag 29 maart 2026

Een groene!

Mijn stad is niet de meest gewilde van het land. Sterker, veel Nederlanders zouden er niet dood gevonden willen worden. Dat kan, maar ik heb het er goed naar de zin; vooral ook door het vele blauw en groen dat Lelystad omringt. En aangezien mijn woonwijk aan de stadsrand ligt, krijg ik daar veel van mee. Zoals onlangs, toen ik op driehonderd meter van huis, in het Zuigerplasbos, een ontmoeting had met een koppeltje reeën. Mijn dag kon niet meer stuk.
     Afgelopen week deed ik in dezelfde omgeving een nieuwe ontdekking. Ik nam een hoog gelach waar, alsof ik werd bespot vanuit de nog half kale bomen. Het zal toch niet, dacht de bescheiden vogelaar in me. Als ik aan een lachende vogel denk, zie ik de groene specht voor me. Maar dat kón helemaal niet, want groene spechten houden van oude, gemengde bossen. Zo zag ik hem ooit in de Achterhoek. Maar in het jonge Flevoland, en dan nog wel als het ware om de hoek?
     Eén dag later hoorde ik die spottende lach opnieuw, nu terwijl ik langs de bosrand richting IJsselmeerkust wandelde, naar het koopjesdorp Batavia-stad of all places. Wederom werd ik van hogerop uitgelachen. Ik tuurde omhoog, screende het uitbottende voorjaarsloof. Niets te zien, bovendien zweeg de natuur weer. Ineens maakte een schicht zich los van een populierenbast en zweefde weg in de kenmerkende, wippende spechtenvlucht. Een groene!
     Direct na thuiskomst zocht ik online naar bevestiging. Jippie, op een landelijke site voor vogelspotters vond ik meerdere recente hits van deze groene pracht, exact op dezelfde locaties vlakbij huis! 
     En nu maar hopen dat ik nog vaak word uitgelachen. 

Kort filmpje van de groene specht zien? Klik HIER


zondag 22 maart 2026

Klimaatdoelen

Opwarming van de aarde is een serieuze bedreiging, en niet alleen voor de ijsbeer. Als goed wereldburger steun ik daarom alle maatregelen die klimaatverandering binnen de perken houden. Wél met een meewarige glimlach.
     Moeder Aarde is ruim een 4,5 miljard jaar oud. Wie met reuzenstappen door haar geschiedenis gaat, krijgt apocalyptische veranderingen mee. Tijdens haar eerste miljard jaar (het Hadeïcum) was ze een gloeiende bol die de honderd graden aantikte. Vulkanen domineerden. Die stootten hete gassen uit waardoor een dikke damp onze planeet omzwachtelde. Toen de aarde afkoelde zette die damp zich om in wolken. Uit de wolken viel regen. En hoe! Wetenschappers beweren dat die onbarmhartige buien tien- tot vele honderdduizenden jaren aanhielden. Mogelijk regende het zelfs, welja, een miljoen jaar aaneen. Oceanen ontstonden. Pakweg een miljard jaar later ontstond in al dat water het eerste (eencellige) leven. 
     Daarmee was het feest niet voorbij. Gedurende tientallen miljoenen jaren leek het hier wel een kookpan, dan weer een vrieskist. En vice versa. Hete, kletsnatte of ijskoude periodes volgden elkaar op. Transitie, voortdurend in transitie. Landmassa's rezen, gingen kopje onder, verschoven. Precambrium, Cambrium, Devoon, Perm, Trias, Jura, Krijt. Levensvormen verdwenen of ontsproten. Steeds weer. Erupties van binnenuit of buitenaardse brokstukken creëerden tijdvakken waarvan we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Het wordt pas een beetje bevattelijk bij de plaatjes van de laatste ijstijd: mammoeten, wolharige neushoorns en wijzelf gehuld in dierenvachten. Maar die beelden vormen voor ons slechts het klimatologische topje van de ijsberg.
     Hopelijk op tijd nemen we (nou ja, velen van ons) verantwoordelijkheid voor de huidige aardopwarming. Terecht. Wij zijn nu zélf de oorzaak, door overbevolking en consumptief gedrag. Daarom sta ik, zoals gezegd, achter de initiatieven die mondiale temperatuurstijging moeten tegengaan. Denk aan ons nageslacht! Maar tussen alle idealistische klimaatdoelen door, krijg ik die meewarige glimlach niet van mijn gezicht.


zondag 15 maart 2026

Ventieldopje

Je kunt gerust stellen dat de mens het intelligentste wezen op aarde is. In essentie is hij echter niet veel meer dan een slimme bonobo. Ondanks onze rijke woordenschat en knappe uitvindingen zijn wij – van president tot pauper – direct of indirect vooral druk met onszelf. Het grote geheel is bijzaak. Bonobo's dus. 
     Terwijl de wereld in brand stond, liep ik afgelopen week uit gewoonte een rondje om mijn limousine. Daarbij constateerde ik één ontbrekend ventieldopje. Op zich geen ramp, hooguit was het ventiel meer vatbaar voor vuil en vocht. Toch stoorde de verdwijning van dat ene draaidopje me bovenmatig. Het was onesthetisch en voelde fout. Vier banden, vier ventielen, drie ventieldopjes. Het autisme-spectrum is breed.
     Zuchtend ging ik op jacht naar een nieuw dopje. Online vind je ze overal. En anders moet je ervoor naar een accessoiresshop. Gedoe, vooral toen bleek dat ze alleen in setjes van (minstens) vier werden aangeboden. Die setjes kostten slechts een paar euro. Toch voelde dat voor mij, als notoire krentenweger, veel te duur. Ik had potjandorie slechts één minuscuul zwart plastic dopje nodig. Uno!
     Een simpeler oplossing kwam bovendrijven. Die was kosteloos en je hoeft er niet ver voor op pad. Autoventielen hebben vrijwel altijd dezelfde maat (het zgn. Schrader-type), dus je treft ze overal aan. In elke straat, op elke parkeerplek. Het enige wat je hoeft te doen is een dopje losschroeven van een nabij gestalde vierwieler. Kinderwerk.
     Twijfel sloeg toe. Stelen hoort niet, is asociaal. En misschien gaat er wel een autoalarm af. Bovendien hangen overal camera’s. Zwaarwegender was echter het besef dat een heer van stand zich niet op deze wijze mag verlagen.
     Tot bezinning gekomen, bestelde ik braaf online een setje van vier ventieldopjes à 3,50 euro inclusief bezorgkosten. Na ontvangst was één ervan snel aangebracht wat mijn karretje weer mooi in balans bracht. Fijn, maar de overbodigheid van de drie resterende dopjes bleef mij als slimme, edoch krenterige bonobo danig dwarszitten. Dit terwijl de wereld nog steeds in brand stond.


zondag 1 maart 2026

Aha-erlebnis

Wanneer ik in een mindere bui ben, denk ik graag aan de Eerste Wereldoorlog. Wat is dat voor gekkigheid, zal menigeen zich nu afvragen. Die oorlog was een niet te beschrijven soldatenhorror, hoe kun je daar nu met graagte aan denken? Ja sorry hoor, maar WO1 en de geschiedenis eromheen blijven me nu eenmaal zodanig boeien dat ik mijn eigen sores tijdelijk vergeet. Ieder z'n maniertjes.
     Mijn moeder was volbloed Duitse. Mijn vader was een Indo-Europeaan met ook aardig wat Duitse genen. Er stroomt dus grotendeels Germaans bloed door mijn aderen. Dat merkte ik een aantal jaren terug weer 'ns. Gefascineerd door de historische omgeving, wandelde ik toen over de Duitse militaire begraafplaats Fribourgvlakbij de Somme-rivier in Noord-Frankrijk, een immens ereveld. Op enkele grafzerken las ik de mij bekende familienamen.
     Vandaag ineens, tsja tijdens zo'n mindere bui, vindt mijn bovenkamer het bewijs dat die Duitse jongens/mannen, wiens namen ik tegenkwam bij de ontelbare graven bij de Somme, een Stahlhelm moeten hebben gedragen. Lekker boeiend, zullen velen denken. Maar bij deze WO1-gek zorgt zo'n aha-erlebnis voor meer inzicht (en beroering). De slag bij de Somme – één miljoen gesneuvelden – speelde zich namelijk af van midzomer tot najaar van 1916. 
     Nadere uitleg? Komt-ie. 
     In 1914 en 1915, de eerste twee jaren van de Eerste Wereldoorlog dus, droegen de Duitsers de zogenaamde Pickelhelm of Pickelhaube. Dat was zo'n typisch Pruisisch model van hard leder met wat ijzeren details. Meest opvallend was echter de scherpe metalen punt bovenop die fierheid en strijdlust moest uitstralen. Sommigen beweren dat soldaten die punt eraf schroefden: te onhandig om onder prikkeldraad door te kruipen. Maar veel ernstiger was dat Heinrich, Ludwig, Fritz, Otto of Wilhelm – zich veilig wanend in hun loopgraven – bijzonder kwetsbaar bleken voor neervallende granaatscherven die hun lederen Pickelhelm moeiteloos doorboorden. Om die reden werd begin 1916 de Stahlhelm ingevoerd. Dus vóór de slag bij de Somme losbarstte! Die stalen helm bood vanzelfsprekend veel betere bescherming, ook bij de nek en slapen. 
     Het was dit type hoofdbescherming dat de Duitsers, met wat aanpassingen, zouden blijven gebruiken tijdens het interbellum, ja zelfs tot aan het bittere einde van de volgende (!) wereldoorlog. Diezelfde potvormige stalen helmen die samen met swastika’s en zwarte laarzen, uit zouden groeien tot dé symbolen van Nazi-Duitsland. Maar daar hadden die arme Heinrich, Ludwig, Fritz, Otto of Wilhelm, die sinds WO1 in de Noord-Franse grond liggen, totaal geen weet van.
     Reuze interessant, toch? En ziedaar: mijn mindere bui is verdwenen. Grüss Gott.

Pickelhelm, ook wel Pickelhaube genoemd. Door de Duitsers/Pruisen
 al ver voor WO1 in gebruik tot en met de eerste oorlogsjaren, 1914 en 1915.
Hij bleek in deze 20e-eeuwse setting te onpraktisch en vooral te kwetsbaar.

De Stahlhelm verscheen in 1916. Deze helm bood veel meer bescherming.
Hij zou evolueren tot het model dat we kennen uit de Tweede Wereldoorlog
en (naast zwarte laarzen en hakenkruizen) symbool stond voor de Nazi-tijd.



zondag 11 januari 2026

Superaardig

Op een extreem winterse dag moest ik naar het Gelre Ziekenhuis in Zupthen. Hier stond een serie medische afspraken gepland die een voor een zouden worden afgewerkt. Afgewerkt klinkt hier een beetje negatief, maar ik bedoel het goed en aardig.
     Alle mensen op de hoofdpijnpoli, maar ook de patiënten of bezoekers in de wachtruimtes die ik ontmoette, waren zelfs meer dan aardig. Superaardig. Mijn behandelaren waren overigens allen vrouw, wat niet vreemd is in de zorg. De neuroloog, co-assistent, hoofdpijnverpleegkundige, de fysio, mensen op de prikpoli, receptie, de restaurantcaissière: allemaal ontzettend aardige dames. Ze complimenteerden me bovendien met het feit dat ik van zover was gekomen ondanks het barre winterweer. 
     Nu moet ik toegeven dat ik die pluimen best verdiende, want de rit was zenuwslopend. Per trein was geen optie aangezien de dienstregeling haperde. Dus ploegde ik moederziel alleen in mijn skelter-op-zomerbandjes door de spekgladde polder en over de Veluwe die weliswaar was omgetoverd tot een winterwonderland, maar door de elementen getransformeerd was tot een bobsleebaan vol verraderlijke chicanes bestaande uit sneeuwschuivers, al dan niet geschaarde vrachtwagens en andere ploeterende weggebruikers die om wat voor reden dan ook van A naar B moesten ondanks de waarschuwing Blijf Thuis! Maar ja, ik had die serie afspraken nu eenmaal staan, dus ging ik plichtsgetrouw op mijn ingesneeuwde doel af als een sintbernardshond met een vaatje brandy om zijn nek. En dát werd dus uitbundig op prijs gesteld door al die superaardige luitjes in het Gelre Ziekenhuis te Zupthen. Zelfs toen ik aan het eind van de middag met kleumende vingers stuntelde bij de betaalautomaat op de parking, snelde iemand me te hulp. Aardig, aardig, aardig.
     Op dit punt gekomen zitten sommige lezers mogelijk te wachten op een knipoog of kwinkslag, zoals het een column betaamt. Die moet ik helaas teleurstellen. Ik eindig heel gewoon met een warm hart in een koude wereld. Superaardig dus.