maandag 26 oktober 2020

Kapitein Haddock

Vanwege fysiek ongemak toog ik naar de huisartsenpraktijk. Dit keer zou ik geconsulteerd worden door een arts in opleiding, werd me bij de afspraak verteld. Een jong ding liet me dan ook binnen en stelde zich voor. Nadat ze had gedaan wat ze moest doen – mij bepotelen – startte ik een luchtig praatje.
‘Arts in opleiding; hoe lang duurt je studie nog,’ vroeg ik terwijl ik me weer aankleedde.
‘Nog anderhalf jaar, dan ben ik legerarts,’ vertelde het jonge ding.
‘Legerarts? Zozozo’ klonk ik als een sleetse kerstman, ‘Maar dan ben je nu dus al militair?’
‘Klopt,’ zei het jonge ding.
‘Vaandrig of inmiddels luitenant,’ vroeg ik, want dat zijn aankomend legerartsen bij mijn weten.
‘Ik ben al kapitein hoor,’ zei ze met een trots lachje.
Duizend bommen en granaten, gierde het Haddockiaans en met veel uitroeptekens door m'n kop. Ik weet nog dat ik als dienstplichtig soldaat van pakweg twintig lentes enorm opkeek tegen een legerkapitein – zo’n addergebroed met wel drie sterren! Zo’n bliksemse, donderse, doortrapte Basji-Boezoek was destijds iemand van middelbare leeftijd met veel gezag, een snor én Korea-ervaring. Zo'n donderbomse knuppel die een hele compagnie aanvoerde, pakweg 150 man. Zo’n gekielhaalde blaaskaak die je soms op rapport riep en pittige straffen uitdeelde als je uitrusting niet op orde was of als je te laat van verlof terugkwam. En nu bleek dit jonge ding, deze duvelse zoetwatermatroos, die makkelijk mijn kleindochter had kunnen zijn, reeds legerkapitein!
Jaren ouder verliet ik de huisartsenpraktijk.



dinsdag 20 oktober 2020

Ina Adema

Naderend over het bospad zag ik in de verte twee vrouwen op een bankje zitten. Zo te zien genoten ze met volle teugen van de oktoberzon, hun gezichten half omhoog. De meest rechtse dame hield haar handen voor zich met de palmen naar boven, alsof ze elke vitamine Deetje wilde opvangen. Nee wacht, het leek meer alsof ze Vader Zon aanbad. Maar dat viel allemaal erg mee, want dichterbij gekomen hoorde ik de twee ginnegappen als bakvissen. Nóg dichterbij gekomen herkende ik in de linkse dame onze burgemeester, Ina Adema. Nou ja, op moment van schrijven was ze dat net niet meer, want mevrouw Adema was zojuist gepromoveerd tot commissaris van de Koning in Brabant. Ze ging dus aanstonds verhuizen en mijn stad verlaten. Jammer, want ze was erg bekwaam en geliefd, heb ik begrepen. Maar ja, commissaris van de Koning is wellicht een te mooie promotie om te weigeren. Bovendien woont haar levenspartner, Carolien, in Den Bosch, had ik ergens gelezen, dus ja, dan is Brabant zo gek nog niet. Maar wacht eens even, dan was die andere vrouw op het bankje vast Brabantse Carolien, degene die lacherig haar handpalmen in aanbidding van de zon omhoog hield.

Thuis gekomen deed ik meteen onderzoek naar mijn ex-burgemeester waarbij ik uit de krochten van het internet als bonus ook 'haar' Carolien kreeg voorgeschoteld, die ik meteen herkende. Het leken me beiden erg leuke dames. Ik hoop dat het stel nog heel lang en heel vaak samen op een bankje van de zon mag genieten. Waar of in welk ambt dan ook. 



dinsdag 13 oktober 2020

Stoelgang

Kortgeleden werd mij gevraagd een postoel in elkaar te zetten. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van een postoel gehoord; het synoniem 'toiletstoel' zei me meer. Goed dat ze er zijn trouwens, want met een postoel naast het bed hoeft een immobiel persoon, niet (meer) in hoge nood naar de wc te strompelen. Een bedpan of luiers zijn de alternatieven, maar dat stadium stel je begrijpelijkerwijs zo lang mogelijk uit. 

Betreffende stoel kwam in onderdeel uit een doos, waarna ik als IKEA-slaaf aan de gang ging. Plaats van handeling was de aanleunwoning van een licht dementerende, oude vrouw die bovendien nauwelijks kon lopen. Zij zat op deze regenachtige zondagmiddag in haar woonkamer naar haar treurbuis te kijken terwijl ik in de beslotenheid van haar belendende slaapkamertje de postoel in elkaar schroefde. Na het nodige gezweet en gezucht mijnerzijds, stond er uiteindelijk een verrijdbare stoel waarop (of waarin?) iemand die niet meer zo makkelijk rondhuppelt, zijn of haar behoefte kon doen. Vervolgens ging ik, teneinde de stevigheid van deze constructie te testen, er zelf op zitten - er was toch niemand die me zag. Zo zat ik, op een verregende Dag des Heeren in een zijkamertje van een aanleunwoning, enkele seconden voor me uit te staren op een spiksplinternieuwe postoel. Maar dat was lang genoeg voor een riant zicht op de menselijke gangen: opgang, voortgang, neergang. En stoelgang.





dinsdag 6 oktober 2020

Consequent

Wie als Nederlander San Fransisco of Arizona op z'n Amerikaans uitspreekt, dus iets als Sènfr’nsisco of Èwrizone, loopt kans voor aansteller te worden uitgemaakt. Of voor iemand die hoognodig wil uitdragen dat-ie kosmopoliet is. ‘Doe normaal en spreek Arizona gewoon uit als Arizona, net zoals iedereen hier!’ De bijzin is veelbetekenend, want eigenlijk wordt bedoeld: volg de kudde. Maar de kudde is onnavolgbaar. Want wie bijvoorbeeld Utah of Houston niet uitspreekt als Joetà of Joest'n maar op z'n janboerenfluitjes, kan direct op hoongelach rekenen. Hij of zij laat hiermee immers ongewild merken géén wereldburger te zijn maar een boertige heikneuter, wat ook al geen aanbeveling is. Conclusie: Arizona moet je op klompen uitspreken, maar Utah op cowboylaarzen. Tamelijk inconsequent dus, met gevolg dat je op eieren loopt, ongeacht je schoeisel. 

Een tijdje terug passeerde ik, van achteren komend, een wandelaar op het fietspad. Hij schrok toen ik hem inhaalde en riep me woedend na: ‘Heb je geen bel of zo!’ (Nogmaals: hij wandelde op het fietspad!) Maar een paar dagen later gebruikte ik - wijzer geworden - in exact dezelfde situatie wél mijn fietsbel. Toen ving ik echter heel andere geluiden op: ‘Ja ja, rustig maar, je kan er toch makkelijk langs? Lul!’ 

Het is in onze samenleving kennelijk niet alleen vaak op eieren lopen, maar ook fietsen. Gek genoeg kun je dat nu juist wél consequent noemen.

woensdag 30 september 2020

Barbie

Vroeger, toen geluk nog heel gewoon was, was ik korte tijd lid van de plaatselijke tennisvereniging. Op die club hupte een woest aantrekkelijke Barbie rond. Soms lonkte ik naar haar, hopende dat ze, onderwijl met een roze tongpuntje haar gretige lippen aflikkend, op me af zou stappen en met een hese stem zou zeggen: ‘Hi there, zeg, ik zag je kijken en ja, ik heb zin in je. Kom mee naar de kleedkamer, er is daar nu niemand...’ Denk aan porno uit de seventies met bonte jarretels en Magnum-snorren, niet toevallig de tijd waarin deze fantasie mij overviel. Helaas pindakaas, als vanzelfsprekend bleef het bij luchtfietserij. Barbie was immers een populair verenigingslid, behorend tot de incrowd. Ik daarentegen, sloeg af en toe een schuchter balletje op baan elf. Kortom, ik was geen partij voor dit, in de perceptie van een hitsige twintiger, van seks sijpelende mokkel.
Vele jaren later, mijn racket bungelde al lang aan de wilgen, zag ik haar regelmatig passeren in mijn polderdorp. Zodoende constateerde ik hoe ze - ooit Barbie, later milf - op een mooie manier verrimpelde naar een gedistingeerde seniore dame. Totdat onlangs haar foto in de regiokrant prijkte. Een schok, want die foto stond ingekaderd bij haar overlijdensadvertentie. Te oordelen naar dat bericht moet ze een schitterend mens, lieve echtgenote, moeder en grootmoeder zijn geweest die haar ziekte 'moedig had gedragen'. Tevens was ze een zeer gewaardeerde buuf, want in een separaat krantenbericht uitten ook haar buurtgenoten hun verdriet en gemis. 
Vergankelijkheid is een mooi gegeven. Buiten is het herfst. Barbie is dood. Ik tennis al eeuwen niet meer, ook niet op baan elf. En porno uit de seventies is nu toch vooral om te lachen.

woensdag 23 september 2020

Nekhernia

De zomer van 2020 leek eindeloos. Het liep al richting oktober toen ik naar het strand fietste voor een allerlaatste, frisse duik in het Markermeer om daarna op mijn strandlaken te genieten van een warm vitamine D bombardement. 
Enkele meters links van mij bevonden zich twee mannen: een koppel, leek mij zo. De ene had een donkere huidskleur, een gladgeschoren schedel, gebeeldhouwde tors en vanonder was hij gestoken in strakke jeans. De andere was een buikige Batavier met zijn blond baardje en harige lijf, hij droeg een zwembroek. De twee converseerden gezellig in het Engels. Wat me het meest aan hen opviel was de hardware die ze links en rechts op het zand hadden uitgestald: professioneel ogende fotoapparatuur, een keukenkrukje en een bonte verentooi die zo kenmerkend is voor indianenopperhoofden. De verklaring kwam spoedig.  
De Batavier liep met het keukenkrukje in de hand het water in tot daar waar het zo diep was dat het krukje nipt onder het oppervlak verdween. Intussen zette de donkere man de imposante indianenhoofdtooi op z'n knar en waadde ermee, nog steeds gestoken in die strakke jeans, naar de plek waar het nu onder water verdwenen krukje stond. Daar stapte hij op het krukje en richtte zich op waardoor het leek of hij óp het water stond - denk aan een donkerbruine Jezus met een verentooi op zijn hoofd. Het was zowel absurdistisch als schitterend. Vervolgens nam hij geroutineerd een Apollo-achtige pose in. De Batavier had inmiddels een forse camera gepakt en fotografeerde daarmee zijn 'op het water staande' model vanuit verschillende ooghoeken maar altijd wel zo dat de lage septemberzon de gespierde tors van dit zwarte Apolliaanse opperhoofd met magisch strijklicht aftekende. Het was, zacht uitgedrukt, een niet alledaags schouwspel daar aan het strand van mijn polderdorp. Menig nieuwsgierige badgast liep dan ook een nekhernia op. Ikzelf zocht het antwoord in een bijzonder kunstproject of misschien iets artistieks voor Instagram. Hoe dan ook, de twee vrienden hadden volkomen schijt aan de lacherige blikken van onbegrip onder de strand-bourgeoisie en gingen onverstoord verder met hun fotosessie in het water. Toen ze klaar waren ruimden ze hun uitdragerij weer in waarna ze kalmpjes en voldaan vertrokken op twee volbepakte hipsterfietsen. In hun achtergelaten leemte bleef ik nog lang naar de kim van het Markermeer turen. De eindeloze zomer van 2020 leek nu toch echt ten einde.



woensdag 16 september 2020

Actieradius

Op een mooie nazomerdag zat ik op het terrasje van een gezellige uitspanning in het Gelderse gehucht Speuld. Wachtend op mijn bestelling raakte ik aan de praat met een oude man die anderhalve meter verderop achter een kop koffie zat. Nou ja 'zat', de man hing als een zak zand in zijn scootmobiel; in hem zat weinig beweging. Ook was hij moeilijk te verstaan. Dat lag een beetje aan zijn Veluwse accent, maar veel meer aan zijn spraakvermogen. Met zichtbare moeite vertelde hij hoe hij vorig jaar twee herseninfarcten had doorstaan, dat zijn ene been 'niks meer deed' en dat 'de vrouw weg was'. Maar hij woonde nu in een verzorgingshuis in Ermelo en daar was hij vol lof over. ‘Ze zorg'n goed voor me, het eten is uitstek'nd, elke dag wel vijf gang'n!’ Hij zei ook dat het verblijf in dat tehuis al z’n spaarcentjes kostte. ‘Maar ik kan toch niets meenem'n,’ klonk het met een lachje. Daarna weidde hij uit over zijn scootmobiel en hoe hij vanuit Ermelo over de fietspaden hier naartoe was getoerd. ‘Hij haalt tachtig kilometer.’ Even schrok ik van die snelheid, wat oerstom was want hij doelde natuurlijk op de actieradius. ‘Veertig heen en veertig terug kan-ie, m'neer.’
‘Kom,’ zei hij daarna zijn kopje trillerig op tafel terugzettend, ‘ik ga op huus an. Wens u nog een fijne dag. En g'niet van het mooie weer.’
Dat probeerde ik.