Van
jongs af aan had ik hier al willen zijn, eindelijk is het zo ver: ik
reis momenteel door de Stille Zuidzee. Met vliegtuigjes, schepen, huurauto’s
en een zeekano hop ik tussen grote en (piep)kleine
eilanden. Het paradijs op aarde waar de kleuren smaragd, jade,
turquoise, kobalt en aquamarijn voortdurend in elkaar vloeien. Me
lavend aan klappermelk, ananassen, pisangs, zeevruchten, blote tieten
en rieten rokjes.
Natuurlijk
reis ik niet echt, ik zou wel gek zijn. Nodeloos reizen - toerisme dus - is een hopeloos achterhaald concept. In plaats daarvan zit ik in een makkelijke (tuin)stoel en lees ik De
Gelukkige Eilanden van de vermaarde reisschrijver Paul Theroux. De Amerikaan brengt de wereld naar je
toe, dus waarom moeilijk doen. Wat mij tijdens 'mijn' trip het meest bevredigt is dat Theroux de
Stille Zuidzee presenteert zoals ik al vermoedde hoe het er
in die regio momenteel aan toegaat. Hij
bevestigt namelijk dat het e-nor-rum tegenvalt. Jazeker,
Nieuw-Zeeland, Australië, Nieuw-Guinea, Vanuatu, Solomon, Fiji, Tonga, Cook, Samoa, Tahiti, Paaseiland, Hawaii en al die andere eilandengroepen of atollen in Melanesië, Micronesië en Polynesië, ogen zonder meer paradijselijk. Helaas zijn ze sterk vervuild en hun bewoners
niet altijd oké. Alcoholisme, overgewicht, geweld, racisme
en discriminatie (kennelijk toch geen witte privileges),
godsdienstwaanzin dan wel ridicuul bijgeloof, grove aantasting van flora en
fauna, lamlendigheid, hebzucht,
een keihard klassenstelsel,
et cetera, zijn er troef. En over hun bezoekers - toeristen, cruisepassagiers - kun je maar beter helemaal zwijgen. Daarom is het zo fijn door dit paradijs te reizen zonder er te
zijn. Een beetje avonturier weet dat.
vrijdag 7 augustus 2020
zondag 2 augustus 2020
Hommage
Ooms
en tantes, ik had er veel.
Een letterlijk bonte stoet aan types en
persoonlijkheden. Gelukkig heb ik geen slechte herinnering aan al die ooms en tantes. Dat het anders kan bewijzen de literatuur én de
ervaringen van anderen: het
barst van de foute ooms en gemene tantes. Ik zal dus
wel geluk hebben gehad, want
al mijn tantes waren min of meer lief dan wel hartverwarmend en mijn ooms grappig,
interessant of anderszins bijzonder. Ach, het zal te maken hebben met persoonlijke beleving, perceptie dus, zo ook in geval van ooms en tantes.
Sommige van mijn ooms en tantes waren overigens geeneens echte ooms en tantes. Je noemde ze gewoon zo, en gek genoeg voelde het hetzelfde. Zelf
ben ik ook een oom, ofschoon ik dat woord eigenlijk nooit in mijn
bijzijn hoor gebruiken omdat ooms en tantes
tegenwoordig vaak met hun voornaam worden aangesproken. Overigens is of wordt doorgaans iederéén oom of tante, of soort van, kortom het
krioelt ervan. Vreemd genoeg heb ik toch het
idee dat ooms en tantes heden ten dage een vergeten gezelschap vormen, het bezit nog amper status. Als hommage aan hen had ik daarom zin een stukje te tikken waarin het wemelt van de
ooms en tantes. Bij dezen. Trouwens, wemelen vind ik een mooi en beeldend werkwoord. Evenals zemelen. Vooral over ooms en tantes.
zondag 26 juli 2020
Toonladders
Eergisteren reed de gemeentereiniging door de straat, daarna werden de geleegde kliko’s snel weer opgehaald door
hun bezitters, op één na. Kennelijk is
er iets misgegaan want deze ene rolcontainer ligt nu met geopende klep en op
zijn kant langs de straat, met een aantal kartonnen dozen er half uit. In die dozen hebben wijnflessen gezeten,
ik herken het merk, maar misschien moet ik chateau zeggen. Afijn, kennelijk zijn ze afkomstig van een grootverbruiker.
Of van iemand die iets te vieren had.
Ah kijk, daar komt een man aan. Hij loopt naar de omgevallen container, die blijkt van hem. Hij beziet geërgerd de rotzooi die half op straat ligt, zíjn rotzooi. Ik ken de man van gezicht, hij woont aan het eind van het hofje. Het valt mij voor het eerst op hoe somber en onverzorgd hij eruit ziet: lijkbleek, oogwallen, ongekamd vettig haar, sloffende tred. Wat weet ik van hem? We zeggen mekaar soms gedag, that’s it. O ja, ik weet dat hij vaak oefende op zijn saxofoon; als je dan langs zijn huis liep hoorde je wankele toonladders. Maar sinds geruime tijd is het er stil. En had hij niet een leuke vrouw en een lief klein kindje? Ook die heb ik al een hele tijd niet meer gezien. Ineens rijst bij mij een berg triestheid op die verband houdt met de lege wijndozen en 's mans tekenen van verval. Maar misschien had hij toch iets te vieren, wat ik dan maar hoop.
Ah kijk, daar komt een man aan. Hij loopt naar de omgevallen container, die blijkt van hem. Hij beziet geërgerd de rotzooi die half op straat ligt, zíjn rotzooi. Ik ken de man van gezicht, hij woont aan het eind van het hofje. Het valt mij voor het eerst op hoe somber en onverzorgd hij eruit ziet: lijkbleek, oogwallen, ongekamd vettig haar, sloffende tred. Wat weet ik van hem? We zeggen mekaar soms gedag, that’s it. O ja, ik weet dat hij vaak oefende op zijn saxofoon; als je dan langs zijn huis liep hoorde je wankele toonladders. Maar sinds geruime tijd is het er stil. En had hij niet een leuke vrouw en een lief klein kindje? Ook die heb ik al een hele tijd niet meer gezien. Ineens rijst bij mij een berg triestheid op die verband houdt met de lege wijndozen en 's mans tekenen van verval. Maar misschien had hij toch iets te vieren, wat ik dan maar hoop.
maandag 20 juli 2020
Kleurgevoel
Sinds
kort staat er een ander autootje voor mijn deur. De vorige, tien jaar
oud, had een muizige grijsgroene tint. De nieuwe, slechts twee jaar oud, is echter
felgroen, ergens tussen gif- en appel-. Zo’n kleur schreeuwt
natuurlijk om reacties. In het gunstigste geval hoorde ik: kek, vrolijk
of lekker racy. Maar
veel vaker was er verborgen kritiek. Bijvoorbeeld: ‘Veilige kleur
hoor, je valt ermee op.’ Dat laatste klopt, want zowat alle auto’s
hebben tegenwoordig
begrafenistinten. Maar ook hoorde ik het overbekende ‘mooi groen is
niet lelijk.’ Origineler vond ik: ‘Voor
zo’n klein autootje kan het best wel.’ Een seniore buurman verderop was zo
eerlijk te zeggen dat ‘t hem pijn aan de ogen deed terwijl zijn
vrouw er een schepje bovenop deed: ‘Joh, als-ie je maar overal
naartoe brengt.’
Wat ben ik blij dat er geen welstandscommissie voor autokleuren bestaat, zoals we die bijvoorbeeld wel kennen voor woningen, zoals onlangs bleek in Den Helder waar een vrouw haar appelgroene huis van de rechter diende over te schilderen. Toch heeft zo’n welstandscommissie ook nut. Ik moet namelijk aarzelend bekennen dat ik, hoewel ik me bijzonder senang voel bij alles wat groen is, er toch moeite mee zou hebben als mijn directe buurtjes hun gehele woning de felle kleur gaven van mijn autootje - dit vanwege een eventuele waardedaling van mijn eigen pand. Ik ben qua regels dus behoorlijk variabel. Je kunt ook zeggen dat mijn mening sterk gekleurd is, wat vaak voorkomt.
Wat ben ik blij dat er geen welstandscommissie voor autokleuren bestaat, zoals we die bijvoorbeeld wel kennen voor woningen, zoals onlangs bleek in Den Helder waar een vrouw haar appelgroene huis van de rechter diende over te schilderen. Toch heeft zo’n welstandscommissie ook nut. Ik moet namelijk aarzelend bekennen dat ik, hoewel ik me bijzonder senang voel bij alles wat groen is, er toch moeite mee zou hebben als mijn directe buurtjes hun gehele woning de felle kleur gaven van mijn autootje - dit vanwege een eventuele waardedaling van mijn eigen pand. Ik ben qua regels dus behoorlijk variabel. Je kunt ook zeggen dat mijn mening sterk gekleurd is, wat vaak voorkomt.
![]() |
| De nieuwe(re). |
woensdag 15 juli 2020
Lives Matter
Staand
op een grasdijk zag ik hoe een stern loodrecht het IJsselmeer in
dook. Meteen daarna steeg hij op, nu met een blinkend visje in zijn
snavel. De stern, ook treffend visdiefje geheten, is een mooi
gestileerd zeevogeltje dat een zwaar leven leidt (met korte ei). Hij
reist jaarlijks vele duizenden kilometers daarbij honger,
vermoeidheid en gevaren trotserend. Zijn slachtoffer, dat visje,
heeft het natuurlijk ook niet makkelijk (gehad) in het wilde IJsselmeersop. Wat beide diertjes gemeen hebben is dat ze een zwaar
maar puur bestaan leiden of hebben geleid (weer met korte ei).
Bij mooi weer, als de tuindeuren openstaan, hoor ik ergens in mijn huizenrij vaak een kanarie zingen. Een prachtig gekweel, maar vrolijk word ik er niet van. Een zingende vogel – hét symbool van vrijheid – in een kooi lijdt ook een zwaar bestaan, maar nu met lange ij geschreven. Een vogel achter tralies is misdadig, iets wat ieder weldenkend mens anno nu zou moeten beseffen.
In het o zo gezellige Brabant zitten ook veel nertsen achter tralies. (Alsmede varkens, enzovoorts...) Ook zij hebben nooit vrijheid gekend. Na een monsterlijk leven te hebben geleden - dus niet geleid - worden ze uiteindelijk verwerkt tot luxe. Ach, konden kanaries, nertsen en al die andere traliedieren maar een écht leven leiden (met korte ei), net zoals sterns in de lucht en visjes in vrije wateren.
We worden tegenwoordig om de oren geslagen met kreten als Black Lives Matter of All Lives Matter. Maar het lijkt er veel op dat men daarbij slechts doelt op één diersoort.
Bij mooi weer, als de tuindeuren openstaan, hoor ik ergens in mijn huizenrij vaak een kanarie zingen. Een prachtig gekweel, maar vrolijk word ik er niet van. Een zingende vogel – hét symbool van vrijheid – in een kooi lijdt ook een zwaar bestaan, maar nu met lange ij geschreven. Een vogel achter tralies is misdadig, iets wat ieder weldenkend mens anno nu zou moeten beseffen.
In het o zo gezellige Brabant zitten ook veel nertsen achter tralies. (Alsmede varkens, enzovoorts...) Ook zij hebben nooit vrijheid gekend. Na een monsterlijk leven te hebben geleden - dus niet geleid - worden ze uiteindelijk verwerkt tot luxe. Ach, konden kanaries, nertsen en al die andere traliedieren maar een écht leven leiden (met korte ei), net zoals sterns in de lucht en visjes in vrije wateren.
We worden tegenwoordig om de oren geslagen met kreten als Black Lives Matter of All Lives Matter. Maar het lijkt er veel op dat men daarbij slechts doelt op één diersoort.
vrijdag 10 juli 2020
Babylon
Kampen
ligt niet ver van mijn bedstee, toch was ik er ruim twee decennia niet
meer geweest. Hoogste tijd dus voor hernieuwde kennismaking, dit
keer samen met mijn begeleidster.
Ik parkeerde mijn autootje op de IJsselkade, vlakbij het historische centrum. Maar parkeren is ook hier allang niet meer eenvoudig dus moest ik dealen met zo’n nieuwerwetse parkeermeter. Helaas ging dat ding mijn verstand te boven. Gelukkig parkeerde op dat moment vlakbij een sympathiek uitziende dame die ik dan ook meteen om hulp vroeg. ‘O, maar dat doe ik altijd met mijn smartphone,’ klonk het vriendelijk. Ik legde haar uit dat ik hier vreemd was en bovendien op digitaal gebied een kluns. ‘Geen probleem, ik help u wel even,’ zei ze kordaat waarop ik haar wel kon zoenen, ware het niet dat mijn begeleidster ons van een afstandje streng gadesloeg. Samen voorovergebogen bij de parkeermeter, instrueerde de bereidwillige vrouw me welke data ik in moest tikken en hoe de betaling verliep. Na wat gerommel floepte het gewenste bonnetje er uiteindelijk uit. ‘Wat had ik zonder u gemoeten,’ zei ik o zo charmant waarna we vrolijk afscheid namen. ‘Veel plezier in ons mooie Kampen,’ riep de schat me guitig na.
Goed gemutst wandelden we het sfeervolle centrum binnen van deze oude Hanzestad met zijn scheefgezakte gevels, streng ogende kerken, zijn vermaarde theologische universiteit, kunstacademie, intieme pleintjes, plantsoenen en gezellige terrassen waarvan we eentje uitkozen om te proosten op al dit fraais. Twee uur later, weer terugwandelend naar de IJsselkade, kwamen we - wat een toeval - ergens in een steegje mijn 'parkeerhulp' opnieuw tegen. Ze stapte, voorzien van zonnebril en glimlach, op me af en vroeg of ik hier misschien bekend was. Gezien ons eerste conversatie bij de parkeermeter ging ik ervan uit dat ze een grappig toneelstukje opvoerde dus trachtte ik ook vlot en amusant uit de hoek te komen, want ik ben graag de leukste thuis. Hartstikke fout, het bleek een vet misverstand. Deze dame léék namelijk veel op de parkeer-mevrouw-van-daarstraks, maar was het niét. Gevolg: een absurde spraakverwarring in Kampen, het Babylon van Overijssel.
Ik parkeerde mijn autootje op de IJsselkade, vlakbij het historische centrum. Maar parkeren is ook hier allang niet meer eenvoudig dus moest ik dealen met zo’n nieuwerwetse parkeermeter. Helaas ging dat ding mijn verstand te boven. Gelukkig parkeerde op dat moment vlakbij een sympathiek uitziende dame die ik dan ook meteen om hulp vroeg. ‘O, maar dat doe ik altijd met mijn smartphone,’ klonk het vriendelijk. Ik legde haar uit dat ik hier vreemd was en bovendien op digitaal gebied een kluns. ‘Geen probleem, ik help u wel even,’ zei ze kordaat waarop ik haar wel kon zoenen, ware het niet dat mijn begeleidster ons van een afstandje streng gadesloeg. Samen voorovergebogen bij de parkeermeter, instrueerde de bereidwillige vrouw me welke data ik in moest tikken en hoe de betaling verliep. Na wat gerommel floepte het gewenste bonnetje er uiteindelijk uit. ‘Wat had ik zonder u gemoeten,’ zei ik o zo charmant waarna we vrolijk afscheid namen. ‘Veel plezier in ons mooie Kampen,’ riep de schat me guitig na.
Goed gemutst wandelden we het sfeervolle centrum binnen van deze oude Hanzestad met zijn scheefgezakte gevels, streng ogende kerken, zijn vermaarde theologische universiteit, kunstacademie, intieme pleintjes, plantsoenen en gezellige terrassen waarvan we eentje uitkozen om te proosten op al dit fraais. Twee uur later, weer terugwandelend naar de IJsselkade, kwamen we - wat een toeval - ergens in een steegje mijn 'parkeerhulp' opnieuw tegen. Ze stapte, voorzien van zonnebril en glimlach, op me af en vroeg of ik hier misschien bekend was. Gezien ons eerste conversatie bij de parkeermeter ging ik ervan uit dat ze een grappig toneelstukje opvoerde dus trachtte ik ook vlot en amusant uit de hoek te komen, want ik ben graag de leukste thuis. Hartstikke fout, het bleek een vet misverstand. Deze dame léék namelijk veel op de parkeer-mevrouw-van-daarstraks, maar was het niét. Gevolg: een absurde spraakverwarring in Kampen, het Babylon van Overijssel.
zaterdag 4 juli 2020
Stadium 4
Het was betrekkelijk rustig op het terras in het oude centrum van
Enkhuizen alwaar ik op een mooie zomerdag neerstreek. Ik bestelde een koffie 'gewoon' en een aardbeien bavarois, zo’n smeuïg
roze taartje dat me lekker smaakte. Iets verderop zaten twee
mevrouwen van in de vijftig te keuvelen,
een grijze en een donkergeblondeerde. Ik verstond ze duidelijk, of ik dat nu wilde of niet. De grijze vertelde over het
restylen van haar woonkamer. Ze pakte daarbij haar mobieltje om
haar vriendin een paar foto’s te tonen. Van een afstand gluurde ik mee naar het omhoog gehouden schermpje. Ik zag een Jan de Bouvrie-achtig
landschap - sommigen houden ervan. ‘Perachtig,’ riep de
donkergeblondeerde enthousiast waarop plotseling haar eigen mobieltje ging ratelen.
Ze nam op, natúúrlijk nam ze op.
‘Hoi…
bla, bla, bla… Ja… bla, bla, bla… Ja… Lymfeklier… Ja… Stadium 4... En
nu zitten er uitzaaiingen in haar nek en zo. Ja… Nee… Een half jaar had
ze gezegd, hooguit… Ja… Oké… Hou je op de hoogte… Oké…
Doedoei.’
De
roze aardbeien bavarois vond ik intussen een stuk minder smeuïg. Sterker: hij was wat aan de droge kant. Of dat te maken
had met het luide telefoongesprek kan ik niet bevestigen. Wat ik
voor de zoveelste keer wél bevestigd zag, is dat mobieltjes erg handig zijn. Maar dat je dat gevoeglijk kunt wegstrepen door het onaangename dat ze voortbrengen. Dus dat we er geen moer mee zijn opgeschoten.
Abonneren op:
Posts (Atom)
