zondag 13 februari 2022

Eed van Hippocrates

Laatst zag ik mijn huisarts, zomaar in het wild. Ze stapte de Lidl uit en liep vervolgens op haar geparkeerde Volvo V40 af. Mij viel op dat die oude Zweed geen esculaapslangetje achter zijn voorruit had. En nu ik daar toch bij stilstond: ik zag eigenlijk nooit meer personenauto’s voorzien van esculaaptekens. Vreemd, want dat was toch gemeengoed bij automobiele medici? ‘Gewone’ artsen hadden rode slangetjes achter de voorruit geplakt, maar er waren ook blauwe, groene en zwarte voor andere medische beroepsgroepen. Waar zijn al die esculaapjes gebleven?
     Decennia geleden vernam ik het volgende over mijn oom zaliger die huisarts was. De man besloot op een goede dag het esculaaptekentje van de voorruit van zijn Opel Kapitän te verwijderen. Hij was daarover niet erg spraakzaam, maar zijn vrouw, mijn tante zaliger, vertelde dat manlief het zat was om, toerend in zijn auto, bij allerlei onheil of incidenten aangehouden te worden ter verlening van bijstand. Ik had destijds alle begrip voor oompjes verlangen naar anonimiteit in zijn voertuig. Toch wrong er iets, want was er bij artsen niet iets met de afgelegde Eed van Hippocrates? 
     Hoe andere medici daarmee omgingen of -gaan weet ik niet. Wel lees ik, zoekend op mijn scherm, dat anno nu steeds minder dokters een esculaapje achter de voorruit voeren. De reden is dat status en privileges zijn verdwenen. Denk bij dat laatste vooral aan het voorrecht dat artsen hun auto overal boetevrij konden parkeren. Jammer voor ze, maar die vlieger gaat allang niet meer op. Daarbij komt dat bij herkenbare doktersauto’s nogal eens wordt ingebroken door junks. Om nog maar te zwijgen over de random vernielzucht waar veel hulpverleners mee te maken hebben. Het is daarom oppassen met die esculaapslangen. Kennelijk heulen ze met adders onder het gras.






woensdag 9 februari 2022

Heimlich-greep

Alom is bekend hoe te handelen wanneer iemand dreigt te stikken doordat de luchtpijp is geblokkeerd, bijvoorbeeld door voedsel of snoep. Allereerst mept men flink op de rug van de ongelukkige, hopend dat zulks voor oplossing zorgt. Lukt dat niet dan dient men achterlangs de Heimlich-greep toe te passen. En mocht ook die geen soelaas bieden dan rest slechts het chirurgisch openen van de luchtpijp.
     Aangezien het om seconden gaat en de afdeling Chirurgie zich meestal niet om de hoek bevindt, dient men zelf aan de gang te gaan, en wel met huishoudelijk gereedschap. Met schaar, mes, beitel of schroevendraaier, en vooral met een dosis moed, dringt men door tot de luchtpijp. Zodra die opening is geforceerd en geborgd - bijvoorbeeld door middel van een rietje - zodat de zuurstoftoevoer weer op gang komt, is de hoogste nood voorbij en rest het wachten op ziekenbroeders of dokter.
     Bijgaand korte, maar briljante 'instructiefilmpje' (ondersteund door een zoetgevooisde Frank Sinatra) maakt dit alles op een alleraardigste manier aanschouwelijk. Bovendien geeft het feit dat de hoofdfiguur het leven van zijn agressieve tegenstander op een wel heel originele manier redt, de film extra glans. Maar wellicht is het gebodene toch niet zo geschikt voor de wat jongere of gevoelige kijker, wat vooral komt door de pittige stoeipartij vooraf. Men is gewaarschuwd.

Filmpje van 7 minuten zien? Klik HIER

zondag 6 februari 2022

Huidschilfers

Door het glazen oog zie ik mijn dekbed in de rondte tollen. In een schuimende soep swingt-ie van hot naar her, opgejaagd door een onrustige baarmoeder. En ik maar staren naar die ronde patrijspoort in een van de machines. Staren ja, want wat moet een mens anders in een wasserette. Oké, op je mobieltje kijken, maar dat heb ik al gedaan en dat was ik reeds na vijf minuten meer dan zat. De drie vrouwen die zich samen met mij in deze wasruimte bevinden, doen echter niets anders.
     Ik staar en wacht. Hoe lang duurt dat wasprogramma eigenlijk? Ik denk een uur of zo. En daarna nog pakweg drie kwartier de droger in. Minuten kruipen voorbij terwijl het geluid van ronddraaiende trommels en het kenmerkende aroma van warm wasgoed me meevoeren naar elders. Naar de Verenigde Staten waar ik samen met mijn begeleidster enkele roadtrips maakte. Om de zoveel tijd zaten we er ook in een van de talrijke wasserettes die je in de buurt van motels of andere passageplekken aan kunt treffen. In die laundries bevonden we ons dan vaak tussen kleurrijk volk: red necks, zwarte mammy's, latino’s, natives, white trash, dat werk. Opvallend veel obesitas en andere fysieke malheur. Kleinbehuisden of studenten die geen wasmachine bezitten, bewoners van trailer parks, automobilisten die in hun voertuig wonen, handelsreizigers, bijbelprevelaars, vage dwaalgasten, tienermoeders of eerzame lieden die gewoon naar gezelschap of een praatje zoeken, of naar koelte uit de airco's. Wie cultuur wil snuiven bezoekt geen musea maar wasserettes.
     Maar goed, ik bevind me nu niet daar maar hier. In een bedrijfje dat zichzelf Clean Look noemt, gelegen op een naargeestig industrieterrein in mijn eigen stad tijdens een dag vol hemelwater. De batterij wasautomaten (11 stuks) staat aan de lange zijde. Vier drogers staan tegen een korte zijde. Daar recht tegenover bevinden zich enkele formica vouwtafels en een aantal stoelen, op een ervan zit ik. Ook leunen drie andersoortige automaten ergens tegen een muurtje. De eerste dient om papiergeld in te ruilen voor muntgeld, want zonder begin je hier niks. Uit de tweede automaat trek je een wastablet naar keuze. De derde automaat levert Smarties, Snickers en andere zoetigheid.
     Links van mij zit een jonge, vorstelijk getatoeëerde vrouw met extreem lange nagels. Op het oog gedachteloos, klokt ze een blikje Red Bull leeg. Rechts van mij twee vrouwen met door strakke hoofddoekjes ingekapselde gezichten. De twee zijn aan de zware kant, maar mogelijk lijkt dat slechts zo vanwege al dat sombere textiel. Voor mij staan de drie aanwezige dames voor de verwording van oorspronkelijke schoonheid. Het stemt me dan ook niet erg vrolijk. Gelukkig zwijgen ze voornamelijk, gefocust als ze zijn op hun schermpjes.
     Het ligt niet zozeer aan de anderen dat ik me hier niet senang voel. Hoofdpijn klopt op de buitendeur, maar misschien vind ik de kille atmosfeer, de zoemende wasgeluiden en de aanblik van de samenleving nog wel meer deprimerend. Het is niemands schuld, ik weet het. Ook het mijne niet. Ik ben hier op goed geluk naartoe gereden omdat het moést. Thuis heb ik namelijk een goedlopende wasmachine die echter te klein is voor mijn dekbed. Die donsdeken heb ik al jaren, maar waste ik nog nooit - luchten deed ik wel -, vond het eigenlijk wel prima zo. Totdat ik ergens hoorde dat je een synthetisch dekbed minstens eenmaal per jaar diende te reinigen. Bij navraag bevestigden anderen dat ook. Had met bacteriën, ongedierte en huidschilfers te maken, onderwees men mij. En als je iedereen hoort zaniken over het ongedierte in je beddengoed en over de frequentie waarmee velen hun bedtextiel (wel) wassen, dan ga je op den duur toch aan je eigen gedrag twijfelen. Teneinde die twijfel te verbannen, besloot ik deze wasserette aan de rand van de stad eens aan te doen, mijn geliefde dekbed op de achterbank, verpakt in een grote vuilniszak. En nu zit ik hier te wachten tot de boel schoon en droog is, en ik weer weg mag. Weg van hier, want ik heb er inmiddels behoorlijke spijt van. Bij nader inzien is daar namelijk ineens het besef dat ik eigenlijk helemáál niet tegen al die bacteriën ben, niet tegen al dat ongedierte en niet tegen de huidschilfers. Wat is er verdomme mis met een niet-steriel dekbed, zolang het maar 'eigen' is. Toch?!
     Ach, kon ik nu maar weer wegkruipen onder die zo vertrouwde, donzige knusheid. Helaas zijn we tijdelijk van elkaar gescheiden door een waterdichte, ronde patrijspoort. Maar goddank word ik over een uurtje of zo weer met haar herenigd. Daarna rijden we samen terug naar ons huis, zij op de achterbank in die grote plastic zak. En vanavond zijn we opnieuw heerlijk intiem, delen we het bed, de boze wereld buitengesloten. Zij mag bovenop, zo heeft ze het graag.

zondag 30 januari 2022

Spijkertjes

Tijdens het werkzame leven heb ik uit hoofde van mijn functie regelmatig ambtelijke teksten moeten aanleveren waar een hoge pief of beleidsmanager vervolgens goede sier mee kon maken. Niet zelden had ik aanvechting die doorgaans oersaaie schrijfsels te voorzien van een paar spijkertjes: woorden of uitdrukkingen waar je als het ware aan blijft haken. Zo gebruikte ik in een concepttekst eens de informele term ‘gedreutel’ om uitdrukking te geven aan het oeverloze gedoe. Zoals verwacht haalde de betreffende beleidsambtenaar een rode streep door dat woord en verbeterde het met ‘trage voortgang’. Jammer, want bij trage voortgang valt de lezer in slaap en bij gedreutel niet, was mijn verweer. 'Beter is het af en toe de verbeelding aan te spreken waardoor men bij de les blijft,' doceerde ik tegen de hiërarchie in. De man haalde zijn neus op, beval me de tekst toch maar aan te passen en beende hoofdschuddend weg van de werkvloer.
    Kortom, ik hou van spijkertjes in teksten en hoge piefen doorgaans niet. Je zult daarom niet gauw een ceo tijdens zijn of haar nieuwjaarstoespraak horen openen met iets als: ‘afgelopen jaar was poep, we hebben lopen klootviolen, maakten er een soepzootje van.’ Hij/zij zal eerder klessebessen over een moeizaam jaar met tegenvallende resultaten waardoor het bedrijf nu voor grote uitdagingen staat. 
    Gaap, snurk.
    Nee, dit is geen pleidooi voor taalpopulisme, wel een advies voor spijkertjes in gortdroge teksten. Niet te veel natuurlijk, slechts af en toe en vooral op de juiste momenten.
    Over spijkertjes gesproken, toen ik gisteren op mijn fiets wilde springen bleek de achterband lek. Uitdaging!

donderdag 27 januari 2022

Moddergat

Vrijwel iedere dag sta ik bij de voor- of achterdeur mijn schoeisel uit te kloppen. Dat ligt deels aan de diepe groeven in de zolen, want mijn schoenkeuze is grotendeels gericht op het buitenleven. Maar voor een nog groter deel ligt dat aan het land waarin – en waarop – ik leef. Nederland wordt niet gekenmerkt door tulpen en molens, maar door bagger. Logisch, we bevinden ons in het afvoerputje van noordwestelijk Europa, een vlakke rivierdelta vol klei en slib. En als het gedurende het overgrote deel van het jaar boven die delta ook nog eens grijs en vochtig is (tip: geloof de rooskleurige statistieken van het KNMI nooit), dan krijg je een hardnekkige prut van sublieme kwaliteit. Een beetje slimme boer loopt daarom op klompen. Maar ik moet weer zo nodig naar een fancy outdoorshop om stappers aan te schaffen die zijn voorzien van ruig gekerfde zolen waarin de modder zich ophoopt. Dom, zeker voor een stadsheremiet die, op zoek naar afzondering en stilte, graag de geplaveide paden achter zich laat.
    Sorry lezers, het is nu eenmaal mijn stokpaardje, maar landschappelijk is Nederland een armoedig oord vol blubber waarbij het grijs domineert. Moddergooien is hier niet voor niets nationale sport. Met motor- en fietscross zijn we ook steengoed. En onze baggeraars zijn absolute wereldtop. Wie daarom ons land in miniatuur wil bewonderen, dient niet Madurodam te bezoeken, maar Moddergat, het dorpje in het noordoosten van Friesland. Het is klein, vlak en propperig, maar ook is het er vreedzaam en welvarend en dus best goed toeven, ondanks de grijsheid bóven en de kleiige prut ín de grond. Precies Nederland dus.

zondag 16 januari 2022

Brandmerken

Er hangt iets merkwaardigs in de lucht. Ik weet alleen niet wat, kan er niet de hand op leggen. Opmerkelijk dat niemand anders het lijkt op te merken, ook de media zwijgen erover. Uiterst merkwaardig, vind ik.
    In de supermarkt, dé plek waar ik onder de mensen kom, merk ik eveneens weinig bijzonders. Ik hoor en zie het onmerkbare gezoem om me heen, maar niemand klampt een ander aan om te praten over het merkwaardigs dat volgens mij al geruime tijd in de lucht hangt. Wel was ik zo opmerkzaam om bij de fruitafdeling een gesprekje op te vangen tussen twee merkbaar oudere heren. Ik hoorde de ene iets opmerkelijks zeggen: ‘Heb je het al gehoord van Riet, mijn vrouw?’ Toen de andere bevestigend antwoordde zei de man van Riet: ‘Ach ja, ik zal er mee moeten leven. Gewoon doorgaan dus.’ Het betrof dus een weliswaar opmerkelijk, maar toch zeer goed te duiden contact tussen twee bekenden, zoals je wel vaker kunt opmerken bij Albert Heijn. Maar, zoals gezegd, over het feit dat er iets merkwaardigs in de lucht hing hoorde ik niemand. Aangezien niemand iets lijkt te merken, vraag ik me af of ik anderen opmerkzaam moet maken op het opmerkelijke dat in de lucht hangt? Maar dat is best een heikele zaak, want voordat je het weet vinden ze je een merkwaardig personage. Gevolg daarvan zou zijn dat je je verdere leven met onzichtbare merktekens door het leven moet; gebrandmerkt, als het ware. Eerlijk gezegd ben ik daar huiverig voor, dus probeer ik me zo onmerkbaar mogelijk te houden en hou daarom mijn opmerkzaamheden liever voor me, merk ik. Maar opmerkelijk is het zeker. Heel merkwaardig zelfs.

zaterdag 8 januari 2022

Pennenlikker

Bij aanvang van ieder nieuwe schooljaar mocht ik van mijn moeder een nieuwe balpen uitzoeken. Dat was altijd weer een belangrijk moment, want een goede balpen deed (mij) veel. Vorm en kleur moesten kloppen. Ook het geluid was belangrijk; bij spanningen klikte ik wel honderd keer per minuut. 
    Als niet bijster snuggere, tamelijk getroebleerde en (dus) pover presterende leerling, zag ik na de middelbare school geen andere optie dan maar meteen de arbeidsmarkt te bestormen, wat lachwekkend klinkt voor een immer wegdromende zeventienjarige die het liefst zijn tijd in ledigheid doorbracht. Afijn, op die manier werd ik kantoorslaaf, ook wel pennenlikker genoemd. Vanaf die tijd was schrijfgerei gratis, want dat betrok je van de zaak - al dan niet legaal. De uitzondering daarop deed zich voor in 1969 tijdens militaire dienst. Van mijn soldij kocht ik in de NATO-taxfreeshop van Seedorf, mijn Duitse legerplaats, een groen-zilveren Parker. Met een balpen van dat gerenommeerde merk in je borstzak verwierf je destijds enige status. Ik weet nog wat-ie kostte, vier Duitse Marken. Jawohl, het is heel goed mogelijk dat juist deze Parker de allerlaatste pen was die ik aanschafte. Dat was dik een halve eeuw geleden. 
    Na mijn diensttijd betrok ik alles gewoon weer van mijn werkgever(s). BIC balpoints, stylo's, fineliners, potloden. Zwarte, blauwe, rode, groene. En anders kreeg je wel een pen cadeau bij een bezoek aan autodealer, reisbureau of horeca. Nog steeds puilt mijn bureaulade uit van het gratis schrijfgerei. Verbruiken zal ik het nooit, want op enkele losse notities, kruiswoordpuzzels en wenskaarten na, ligt het letterlijke schrijfwerk achter me. De penneninkt raakt zodoende niet op, maar verdroogt. De meeste schrijvers vergaat het net zo.