De kijkhut binnenstappend zei ik de man gedag. Hij groette terug. Daarna deden we er het zwijgen toe, en zo hoort het
als je je wilt focussen op de natuur van de Oostvaardersplassen.
Door mijn verrekijker tuurde ik langs bosschages, rietkragen en over water, maar zag niks bijzonders op twee
wilde zwanen na. De vogelaar naast me leek gezien zijn uitgebreide uitrusting een doorgewinterde natuurvorser, zo eentje die slaapt in een camouflagepyjama. De man kreeg dan ook snel mijn gestuntel in de smiezen. Maar mogelijk wist hij dat al vanaf het moment dat ik mijn antieke verrekijker tevoorschijn haalde. Dat bakelieten ding is immers nog van het type waarmee veldmaarschalk Erwin Rommel in 1944 vanuit zijn Normandische bunker
over het Kanaal tuurde. Afijn, om me in mijn vruchteloze waarnemingspogingen bij te staan zei de vogelaar ineens: ‘Heb je die badderende slechtvalk al gezien,
daar rechts?’
Dat had ik natuurlijk niet, maar op zijn aanwijzingen zag ik ‘m nu wel zitten, en hoe! De prachtige roofvogel zat op een drijvende boomstam zichzelf
te wassen. ‘Wow,’ was het enige dat ik er kinderlijk uit kon brengen, want dat
deze vogelspotter mij erop wees zegt wel iets over de bijzonderheid van
het tafereel.
Kort
daarop liet de man mij alleen in de hut achter. Helaas vloog even later ook de
slechtvalk op en verdween uit beeld. Desalniettemin was ik verguld
met de gedachte dat ik een van de weinigen ben die in de Oostvaardersplassen een badderende
slechtvalk spotte. En dát door de kijker van veldmaarschalk
Rommel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten